Goede oude tijd

Als Arnold Denker, die in 1944 kampioen van de Verenigde Staten was, in zijn memoires het schaakleven in New York van de jaren dertig bespreekt, heeft hij het over 'de goede oude tijd'.

Hij weet dat die voornamelijk bestaat dankzij een slecht geheugen. Hij weet ook dat in de tijd van de economische depressie begaafde Amerikaanse schaakverslaafden moesten leven van waterige soep, een stuk brood en een appel. Hij daagt de lezer uit om smalend te lachen om zijn nostalgie. Maar hij blijft er bij: de goede oude tijd. En inderdaad, het vooroorlogse schaakleven op de Manhattan Chess Club lijkt interessanter dan dat van een moderne schaakclub. Een stoet van excentrieken trekt voorbij in deze memoires. De veteraan uit de burgeroorlog Louis Zeckendorf, die op een maand na honderd jaar werd, bijna nooit speelde en alleen aandachtig over zijn stok gebogen de partijen van anderen volgde en in al zijn jaren op de club nooit iets anders zei dan het ene woord 'Busted!' Gepakt! Hij was rijk totdat zijn butler en zijn chauffeur er met zijn waardepapieren vandoor gingen. Busted! Of de bankier Felix Kahn die in de dagen na de grote beurskrach een groot en rijk feest hield voor alle leden van de schaakclub en zich de volgende ochtend uit het raam van zijn penthouse te pletter liet vallen.

Onder de door Denker genoemde leden van de Manhattan Chess Club zijn er veel die bekend of beroemd zijn geworden in andere gebieden dan het schaken. Kunstenaars, wetenschapsmensen, bankiers, zakenlieden. Je krijgt de indruk dat dat soort mensen tegenwoordig geen tijd meer zou hebben om geregeld op de schaakclub te komen. Het verschil tussen de beroepsschakers en de amateurs was ook minder groot dan tegenwoordig. Velen, ook onder de allersterksten, verdienden een tijdlang geld met schaken en zochten dan toch noodgedwongen een gewone baan. Soms kwamen ze later weer terug.

The Bobby Fischer I knew and Other Stories is uitgegeven door Hypermodern Press, San Francisco. De auteurs zijn Arnold Denker en Larry Parr. Het zal er op neerkomen dat Denker zijn herinneringen heeft verteld aan Parr, die ze opschreef. Verder wordt dank gebracht aan tientallen onderzoekers die in bibliotheken en archieven gesnuffeld hebben. De werkwijze heeft het bezwaar dat je niet de stem van de verteller hoort. Het is de toon en de stijl van de journalist Parr, niet van Denker, dat is heel vaak duidelijk. Aan de andere kant staat het boek door al die medewerkers wel propvol met interessant feitenmateriaal, dat Denker niet zo makkelijk zomaar uit zijn geheugen had kunnen putten.

Dit zijn zeer mooie verhalen. Over de groten uit de schaakwereld, de wereldkampioenen en bijna-wereldkampioenen, weet Denker dingen te vertellen die niet algemeen bekend zijn. Dat is moeilijk. Moeilijker is het nog om boeiende verhalen te vertellen waarin het er helemaal niet toe doet of ze over grote of kleine schakers gaan. In het verhaal over zijn jacht op de begraven goudschat in Toeapse, een Russisch plaatsje aan de Zwarte Zee, wordt een belangrijke rol gespeeld door de beroemde schaker Salo Flohr. Maar als het niet om Flohr en Denker was gegaan, maar om twee fictieve figuren, was het verhaal niet minder geweest.

De naam van Norman Whitaker zal veel moderne schakers weinig zeggen, hoewel hij in de jaren dertig een van de beste Amerikaanse schakers was. Van beroep was hij oplichter, zijn leven lang. Nationale faam bereikte hij in 1932, toen de baby van de beroemde vliegenier Charles Lindbergh ontvoerd was. Whitaker wist 135.000 dollar als losgeld te innen, hoewel hij met de ontvoering niets van doen had. Hij kreeg twee jaar gevangenisstraf en later, als hij op de redactie van het tijdschrift Chess Review kwam, zei redacteur Al Horowitz tegen hem: “Hi Norman, pak een elektrische stoel.“ Het bracht hem niet tot inkeer en tot op zijn oude dag pleegde hij misdaden die steeds gemener en steeds minder succesvol waren.

Het verhaal over Whitaker had ik wel eerder gezien, maar nooit zo uitvoerig als hier. Een van de mooiste verhalen uit het boek gaat over iemand van wie ik de naam niet kende, een zekere George Treysman. Speler van beroep. Alle spellen: poker, andere kaartspellen, domino, biljard, maar vooral schaken. Tegen zwakke spelers, met voorgift en om geld. Hij was een sterke schaker. In 1936, op 55-jarige leeftijd, deed hij zonder ooit een schaakboek gelezen te hebben voor het eerst mee aan een toernooi met meesters, het kampioenschap van de Verenigde Staten. Hij werd derde. Het volgende jaar speelde hij nog een paar echte toernooien, met succes, en daar bleef het bij wat het serieuze schaak betreft. Zijn levenslange arbeidsterrein was de straat en schaakhuizen als The Chess and Checkers Club, bijgenaamd The flea house. Hij stond bekend als de meester van de vernederende belediging. Zijn partijen begeleide hij met een nooit stokkende stroom beledigingen. “Tot dit soort stomkoppen ben ik veroordeeld.“ “Kijk hoe banaal en stompzinnig zijn plan is!“ “Hoe kan iemand zo idioot zijn om op deze manier te verliezen?“ Een van de idioten was Jack Richman, de eigenaar van een broodjeswinkel op Manhattan, gelukkig getrouwd en in redelijke welstand. Totdat hij aangestoken werd door het schaakvirus. Iedere avond ging hij, na de winkel gesloten te hebben, naar Treysman, tegen wie hij alle inkomsten van de dag verloor. Overdag werken, 's nachts schaken. Hij sliep niet meer. Treysman ook nauwelijks, want die bracht het gewonnen geld overdag naar de paardenraces. Richman werd verlaten door zijn vrouw en kinderen, zijn winkel ging failliet en hij werd uit zijn huis gezet. Maar als schaker was hij een stuk sterker geworden. Nu was hij geen klant meer van Treysman, maar collega. Samen zaten ze op de 42ste straat, in weer en wind, wachtend op voorbijgangers die voor een kwart dollar tegen hen wilden schaken. In de loop der jaren ging het steeds slechter met hen. Een keer was Treysman in het vlooienhuis in gesprek met een andere schaker, iemand die verstandiger was geweest en een maatschappelijke loopbaan had gevolgd. Ze zagen Jack Richman aankomen, gebogen, uitgeteerd, in kapotte kleren, iemand voor wie het woord kon gelden: “Ik ben niet echt ongelukkig. Het is erger dan dat.“ Treysman zei: “Zie je die man? Die heb ik tot schaker gemaakt!“

Treysman had in zijn jonge jaren de charmante manieren gehad die maakten dat hij zich voor verarmde adel uit kon geven. In zijn laatste jaren was er niets meer van over. Hij had keelkanker, maar hij bleef, bijna tachtig jaar oud, in de schaaklokalen komen, zijn verwoeste hals in een vale sjaal, niet meer in staat tot spreken, maar hij speelde nog wel en de beledigingen schreef hij nu op een papiertje van een notitieblok. Ah, de goede oude tijd! Dit boek zal vaak geciteerd worden de komende tientallen jaren.

Wit Whitaker-zwart Marshall. Een vrije partij, maar natuurlijk wel om geld, gespeeld in 1915 op Young's Old Pier, Atlantic City. Zie en verbaas u over een wonderlijk spektakel waarvan nuchtere analyse volstrekt misplaatst zou zijn.

1. e4 e5 2. Pc3 Pf6 3. f4 d5 4. fxe5 Pxe4 5. Pf3 g5 6. d4 g4 7. Pxe4 dxe4 8. Pg5 Lf5 9. Lc4 Pc6 10. Lxf7+ Kd7 11. 0-0 h6 12. Txf5 hxg5 13. d5 Lc5+ 14. Kf1 Pxe5 15. Lxg5 Df8 16. Le6+ Kd6 17. Lf4 Dg7 18. b4

18...Taf8 19. bxc5+ Kxc5 20. d6 c6 21. Le3+ Kb5 22. Lc4+ Ka4 23. Lb3+ Ka5 24. Dd2+ Ka6 25. De2+ Pd3 26. Tb1 Txf5+ 27. Kg1 Txh2 28. Lc4+ b5 29. Lxd3 Dh7 30. Lxb5+ cxb5 31. Lf4 Th1+ 32. Kf2 Txf4+ 33. Ke3 Txb1 Wit gaf op.