Er moeten nog veel meer kernwapens de wereld uit

Het lijkt goed te gaan met de nucleaire ontwapening. Waarschijnlijk zijn er in 2003 nog 10.000 kernwapens over van de 70.000 uit 1985. Maar volgens Bart van der Sijde van de Nobelprijswinnaar 'Pugwash' is het nog veel te vroeg voor optimisme. Het Europese debat over ontwapening loopt sterk achter bij dat in Amerika, en een paar duizend kernwapens zijn er zo weer bij.

Op 13 oktober 1995 maakte het Noorse Nobelcomité bekend dat de Nobelprijs voor de vrede dit jaar is toegekend aan de natuurkundige Joseph Rotblat en 'zijn' Pugwash conferentie. Het Comité zelf legde in zijn toelichting een direkt verband tussen de Franse kernproeven en de uitreiking van de prijs aan een persoon en een organisatie die zich reeds tientallen jaren hebben ingespannen in de strijd tegen kernwapens. Rotblat zelf zegde zijn medewerking op aan het Amerikaanse Manhattanprojekt in de Tweede Wereldoorlog met als doel het vervaardigen van een kernwapen begin 1945. Hij was ervan overtuigd geraakt dat de Duitsers er niet in zouden slagen als eerste een kernwapen te maken en het schrikbeeld van 'de bom' in handen van een gewetenloze dictator geen werkelijkheid zou worden. Het begin van Pugwash, in 1957 - waarbij wetenschappers uit Oost en West waren betrokken - is nauw verbonden met het beroemde Russell-Einstein manifest uit 1955, dat als kern had de woorden “zullen we een einde maken aan het menselijke ras of zal de mensheid afzien van de oorlog?”

Pugwash-Nederland, als onderdeel van Pugwash mede deelgenoot aan de Nobelprijs, richt zich ter gelegenheid van de uitreiking van de prijs morgen in Oslo tot burgers en regering van Nederland met de oproep tot ondersteuning van totale kernontwapening. Het wil de nadruk leggen op het belang nu reeds plannen te maken voor een Nucleaire Wapenconventie (NWC) in de lijn van de Chemische Wapenconventie die hopelijk binnen korte tijd van kracht zal worden en de totale afschaffing van chemische wapens beoogt. Een nucleaire conventie houdt dienovereenkomstig in een plan tot volledige afschaffing van kernwapens, een zaak die overigens al 25 jaar geleden is opgenomen in artikel VI van het Non-Proliferatieverdrag (NPV) dat door alle officiële kernwapenstaten is ondertekend. Zo revolutionair is het voorstel dus bepaald niet. De snelle ontwapening na 1985 tussen de twee grootmachten (de kleine drie, Groot-Brittannië, Frankrijk en China deden nauwelijks mee) was indrukwekkend en werd door ons zeer positief gewaardeerd. Er is nu een vooruitzicht op een aantal van ongeveer 10.000 kernwapens in 2003 tegen nog 70.000 in 1985.

Er is inmiddels ook een redelijk vooruitzicht op een totaal kernstopverdrag, het einde aan alle kernproeven in 1996. Nederland kan daartoe hopelijk een belangrijke bijdrage leveren omdat het in het komende jaar voorzitter is van de VN-commissie waarin het verdrag tot stand moet komen. Er wordt ook een mandaat voorbereid voor een zogeheten 'cut-off' verdrag, de beëindiging van de aanmaak van splijtstof voor kernwapens. Soms wordt ook al heel voorzichtig de term 'Start 3' in de mond genomen, een verdrag dat zou moeten leiden tot zo'n 2.000 kernwapens per supermacht.

Op de laatste toetsingsconferentie van het NPV is tevens een reeks 'Principes en doelstellingen' aangenomen, die wel geen enkele keiharde verplichting inhoudt, maar toch als een aanmoediging voor verdere actie kan worden gezien. De conclusie dat het goed gaat met de kernontwapening en de non-proliferatie lijkt voor de hand te liggen. Er is immers ook voorkomen dat Irak zich kon ontwikkelen tot een drempelland als India, en ook Noord-Korea lijkt weer op het goede spoor.

Het gevaar dreigt echter dat hierdoor het kernwapenprobleem niet meer voldoende aandacht krijgt en uit het aandachtsveld verdwijnt. De gesignaleerde positieve ontwikkelingen moeten van een aantal kritische kanttekeningen worden voorzien. Zo kan men stellen dat het tempo van ontwapening in de afgelopen tien jaar indrukwekkend is geweest, maar men kan evenzeer volhouden dat er sprake is van een uiterst magere vertaling van het einde van de Koude Oorlog en dat kernwapens de potentie van massavernietiging nog steeds volop blijven bezitten. Een lichte verslechtering van de politieke verhouding tussen de Verenigde Staten en Rusland lijkt al genoeg om het ontwapeningsproces tot staan te brengen. Zo dit het geval mocht zijn, dan worden we anno 1995 geconfronteerd met de aanwezigheid van meer dan 40.000 kernwapens.

Er zijn veel tekenen van verknochtheid - zo niet verslaving - aan kernwapens merkbaar: China wil zijn proeven zo lang mogelijk voortzetten en het opteert bovendien voor het recht op zogenaamde vreedzame kernexplosies daarna. Frankrijk moest in 'Gaullistische grandeur' zijn kernproeven zonodig hervatten om de afschrikking - tegen wie vraagt men zich af - voor de komende jaren veilig te stellen. Onafhankelijke deskundigen in Groot-Brittannië spreken in kleine kring openlijk uit dat de afschaffing van de kernwapenoptie in hun land onbespreekbaar is. Het is volstrekt onzeker of de kernwapenstaten - en met name de kleine - ooit bereid zullen zijn de nuclaire optie volledig op te geven. We zien hierin een vorm van conservatisme in het omgaan met 'de bom'.

Het is onze stellige overtuiging dat voor de uiteindelijke oplossing van het kernwapenvraagstuk een 'horizontale' (het tegengaan van verspreiding van kernwapens over meer landen) en een 'vertikale' benadering (het verminderen van de kernwapenarsenalen van de vijf kernwapenstaten) onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. De neiging van de kernwapenstaten en hun bondgenoten horizontale proliferatie als het grote kwaad te zien is misschien voor de korte termijn begrijpelijk, maar doet geen recht aan de problematiek.

Het lang niet denkbeeldige gevaar voor de nabije toekomst is dat de vaart uit het ontwapeningsproces raakt, of dat de zaak zich te lang toespitst op kleine maar vaak als noodzakelijk ervaren stappen, die toch de kern van het probleem niet raken: zijn de kernwapenstaten uiteindelijk bereid om hun laatste honderd, vijftig, twintig kernwapens op te geven?

Is het pleidooi om zich nu al te richten op een NWC afkomstig uit kringen die te ver afstaan van het politieke handwerk om een goed oordeel te hebben? Wat we immers vragen, is naast een zo goed mogelijke inspanning voor bijvoorbeeld het kernstopverdrag het begin van een veel verdergaande discussie. Wereldvreemd is de discussie in ieder geval niet, gezien het feit dat in de Verenigde Staten mensen als Robert McNamara, defensieminister onder Kennedy en Johnson, zich voor volledige kernontwapening hebben uitgesproken. Met nadruk waarschuwt hij voor de mogelijkheid van een vergissing of misrekening bij kernwapens.

Ook twee vroegere voorzitters van de Verenigde Chefs van Staven, generaal Jones en admiraal Crowe, hebben gepleit voor een veel verdergaande reductie dan tot 1.000 kernwapens elk. In 1993 schreef de vroegere opperbevelhebber van de NAVO-strijdkrachten in Europa, generaal Goodpaster, dat de vijf kernmachten in staat moeten zijn tot het terugdringen van de kernwapens tot niet meer dan 200 ieder en “dat het uiteindelijke doel het nulniveau moet zijn”. De vraag is veeleer of Europa, inclusief Nederland, niet achterloopt bij de discussie in de Verenigde Staten, en niet of het pleidooi voor volledige ontwapening realistisch is of niet.

De discussie over een NWC heeft in de eerste plaats als doel om artikel VI van het Non-Proliferatie Verdrag handen en voeten te geven, om te voorkomen dat het moment van volledige ontwapening blijvend achter de horizon verdwijnt. Het onaangename van de situatie is dat kernwapenstaten, aangesproken op dit artikel, er weliswaar lippendienst aan bewijzen maar dat in hun daden de toewijding aan het artikel vaak niet is terug te vinden. Een voorbeeld is het aanbod tot integratie van de Franse en Engels kernwapens in de toekomstige Europese Defensie. Dat zou een stap in de verkeerde richting zijn, omdat het een rol toekent aan het kernwapen die het voordien niet had. Een punt van overweging op de komende Europese intergouvernementele conferentie IGC '96.

Verschillende organisatie en instituten zijn reeds met voorstellen voor een ontwapeningsplan en een NWC gekomen, in ons land het IKV. Belangrijke onderdelen van voorstellen in die richting zijn verdergaande reducties bij de kernwapenstaten, het instellen van nieuwe kernwapenvrije zones, de aanpak van de 'drempelstaten', en een politiek van strikte non-proliferatie met betrekking tot de niet-kernwapenstaten; dit alles uiteraard met een goed doordacht verificatiesysteem. Vaak wordt de opzet van de Chemische Wapenconventie aangehaald als een goed startpunt. De wereldwijde inventarisatie van splijtstofmateriaal, een moeilijk en tijdrovend werk, is nog altijd kinderwerk vergeleken bij het opmaken van de chemische inventaris.

Wil de aanzet tot een NWC iets voorstellen, dan moet men zich ten doel stellen om 25 jaar na de onbeperkte verlenging van het Non-Proliferatie Verdrag de kernwapens 'de wereld uit te hebben'. Daarvoor is nodig dat de NWC binnen vijftien tot twintig jaar een feit is. En dat is uiteindelijk kort dag. Nederland zou hier, liefst met andere landen, een voortrekkersrol moeten spelen. Het gaat daarbij om een beleidsopzet die niet geregeerd wordt door reacties op de besluiten van andere landen, maar om een fundamentele stellingname die de kentering in het denken over kernwapens dient te weerspiegelen.