Er doemt een nieuw monster op en het sjokt naar Mekka

De Zuidafrikaanse schrijfster Nadine Gordimer hield gisteravond in de Pieterskerk te Leiden de 24ste Huizinga-lezing. Zij gaf haar voordracht de titel 'Our Century' mee.

We hebben in 'onze eeuw' veel bereikt, maar we hebben onze doelstellingen niet altijd in de hand weten te houden, aldus Gordimer. Alleen als we onder controle krijgen wat we tot stand brengen, kan de volgende eeuw een betere worden.

Dit is een bekorte versie.

Onze eeuw. Deze aanhef lijkt mij een juiste omschrijving, want ik kan mij niet voorstellen dat er vandaag iemand in ons midden is die uit de 19de eeuw stamt. Mijn eeuw deel ik met u allen: ik ben geboren in het eerste kwart ervan, en in dit laatste decennium ben ik er nog steeds.

Hoe heeft ons leven er in de 20ste eeuw uitgezien?

Daar ik een kind van deze eeuw ben dat persoonlijk althans een deel van de radicale veranderingen daarvan heeft onderzocht en ervaren, en dat heeft geprobeerd die nog beter te doorgronden via de ervaring en het bewustzijn van anderen, moet het beeld dat ik mij van onze eeuw vorm wel subjectief zijn. De curve van ons bestaan wordt gevolgd door mijn oog.

Ik hoop dat het hier geen subjectiviteit betreft die zich tot mijzelf beperkt, maar een die ik van nature deel met vele anderen die door dezelfde periode zijn gevormd. Wij die in de 20ste eeuw leven, kunnen niet pretenderen dat we die vanuit een ander perspectief bezien; en evenmin mogen we dat proberen als we datgene willen ontdekken wat alleen wij, zij het op een heimelijke, onderdrukte manier, het beste kennen: de waarheid omtrent onszelf, onze tijd.

Is het de slechtste aller tijden geweest? Is het de beste aller tijden geweest? Of moeten we deze twee extremen op dickensiaanse wijze combineren, in de zin van: 'Het was de beste aller tijden, het was de slechtste aller tijden''?

Onmiddellijk rijst uit een flits die feller is dan duizend zonnen de paddestoelvormige wolk op die boven onze eeuw hangt. De atoombommen die bijna precies halverwege onze eeuw Hiroshima en Nagasaki vernietigden, zijn het symbool van het grootste kwaad dat ooit is aangericht, zelfs in een eeuw waarin, als gevolg van menselijk handelen, meer mensen zijn gedood of door honger en ziekten omgekomen dan ooit eerder in de geschiedenis; waarin de gruwel van de nazi-holocaust vijftig jaar later, als wij over de Balkan en Afrika spreken, met de neutrale term 'etnische zuivering' wordt aangeduid.

Het grootste kwaad dat ooit is aangericht, omdat een atoombom niet alleen doodt en verminkt, maar bovendien de kinderen van de overlevenden, de ongeborenen, treft met de vloek van monsterlijke lichamelijke en geestelijke gebreken.

En dit allergrootste kwaad hebben wij ongetwijfeld aan onszelf te wijten, omdat het meest 'baanbrekende' waarop onze eeuw aanspraak kan maken het feit is dat de man (en ik gebruik dit woord met opzet) voor het eerst een ontdekking heeft gedaan waarvan de uitwerking vernietigender is dan die van enige natuurramp, of het nu om een aardbeving, een vulkaanuitbarsting of een overstroming gaat.

Zo heeft de uiteindelijke overwinning op de natuur, een doel dat sinds de uitvinding van de landbouw in het Stenen Tijdperk onophoudelijk is nagestreefd ten bate van de mensheid, haar beslag gekregen dankzij het feit dat wij hebben ontdekt hoe wij onszelf sneller en doeltreffender kunnen uitroeien dan enige natuurkracht. De duivelse gelofte van onze eeuw lijkt van Vergilius afkomstig: “Als ik de hemel niet kan bewegen, dan zal ik de hel opporren”.

Inmiddels is door de meeste landen een nucleair non-proliferatieverdrag ondertekend en is de dreiging van een atoomoorlog, waarvan het uitbreken meer dan veertig jaar lang afhankelijk was van een druk op een knop in het Pentagon of het Kremlin, voor het gemak maar half vergeten sinds een van de hoofdrolspelers in de Koude Oorlog hors de combat is.

Desondanks zijn de Fransen gedurende het afgelopen decennium, en notabene ook in ditzelfde jaar waarin de vijftigste verjaardag van de atoombommen op Japan wordt 'gevierd', doorgegaan met het houden van kernproeven, alsof deze weerzinwekkende, apocalyptische wapens inmiddels oud speelgoed zijn geworden waarmee een veilige wereld nostalgisch kan spelen.

T.S. Eliot voorspelde dat wij met een zacht gejammer zouden eindigen. Maar dat dat ook met een knal kunnen zijn. De paddestoelwolk hangt nog steeds boven ons hoofd; zal zij een legaat vormen aan de nieuwe eeuw?

Onze tijd heeft onvoorstelbare genieën voortgebracht; Albert Einstein was daar één van. Deze harige, vriendelijke geleerde, een goed mens dat door het kwaad van het nazisme uit zijn vaderland was verdreven, ontwarde een van de grootste raadselen van de natuur, de atoomsplitsing. Wat bedoeld was als een verrijking van de mensheid door middel van een vergroting van haar kennis van haar kosmische bestaan, bracht uit het Goede de vloek van onze tijd voort: het vermogen om atoomkracht te gebruiken, ongeacht de vraag in wiens handen dat zou blijven berusten of overgaan.

Ik stel hier geen manicheïstische vergelijking voor en zou die persoonlijk evenmin acceptabel vinden. Een God of meerdere goden aan de ene kant, die vanuit een oogpunt van evenwicht een of meerdere duivels aan de andere veronderstellen, vormen een te gemakzuchtige verklaring voor alle nuances van de morele complicaties die wij in onszelf en om ons heen waarnemen.

Wat verwarrender en veel verontrustender is, is dat er een soort symbiose lijkt te bestaan. Goed en Kwaad gaan in elkaar over via een transparantie die wij in onze verbijstering niet kunnen doorgronden. Of zij hebben gemeenschappelijke zenuwcellen in de systematische energie die wij niet van elkaar kunnen scheiden; of die misschien niet van elkaar gescheiden kunnen worden. Wij proberen morele voorschriften te verbinden aan processen die volgens volstrekt andere wetten functioneren, wetten waarin dat menselijke bedenksel van ons, de moraliteit, in het geheel niet bestaat.

De Italiaanse futuristische schilders uit de eerste decennia van deze eeuw beeldden, afgaande op hun fantasie, de wereld die nu de onze is uit als een wereld van fraai gestroomlijnde auto's die ongehinderd door straten zoeven, van vliegtuigen die als gelukzalig zoemende bijen de nectar van een nieuw tijdperk verzamelen tussen wolkenkrabbers en regenbogen in een stralend heldere hemel.

Hun schilderijen lijken in onze ogen op het werk van een Grandma Moses van de industrialisering; toch hebben ook wij, net als deze kunstenaars, in onze onwetendheid geen oog gehad voor de vervuiling, heeft het ons aan de enige ware toekomstvisie ontbroken, namelijk dat we onszelf zouden smoren met onze technologische vooruitgang, dat we onze steden zouden verstikken met onze eigen slechte adem van rook en kankerverwekkende dampen. We hebben veel bereikt, maar we hebben onze doelstellingen niet altijd in de hand weten te houden.

Even intrigerend is het om bij onszelf waar te nemen hoe de technologie het ongrijpbare heeft beïnvloed, onze emoties in elkaar heeft doen schuiven. De tegenpolen angst en verwachting zijn ouderwets geworden. Onze 19de-eeuwse voorouders moesten weken of maanden wachten op werkelijk openhartige post; het telegram had een te oppervlakkig en openbaar karakter om iets intiemers over te brengen dan overlijdens- of oorlogsberichten.

In onze eeuw is de beproeving van de angst verdreven door de mogelijkheid om onmiddellijk en volledig met elkaar te communiceren, waar men zich ook bevindt. En wat verwachtingen betreft, die hebben plaatsgemaakt voor instant-bevrediging. Wij leven in het Tijdperk van het Ongeduld, waarin we nergens meer naar uitkijken: we willen het nu. Alles wat we verwachten, krijgen we, voor zover de technologie ons daartoe in staat stelt.

Wat is de invloed op de kunsten geweest van de ongekende technologische ontwikkeling van onze eeuw? Wellicht zal dit pas in de 21ste-eeuw kunnen worden vastgesteld; wij zijn er nog te zeer bij betrokken. We horen te veel, we worden gehersenspoeld en geconditioneerd door de cultuurgebieden die door de technologie zijn veranderd, of we verzetten ons te koppig tegen datgene wat ongetwijfeld enig voordeel heeft opgeleverd.

De technologie is het middel waardoor de positieve gevolgen van de revoluties van onze eeuw - bloedig of vredig, blijvend of mislukt -, namelijk het openbreken van het elitaire karakter van de kunst, hun beslag hebben gekregen.

Zij heeft het burgerlijke idee op de proef gesteld dat je je eerst aan de arbeidersklasse of boerenstand moet ontworstelen, dat je je veronderstelde, aangeboren achterstand moet inlopen, dat je je moet 'opwerken'' voordat je het waard en in staat bent om van kunst te genieten. Dit idee, dat uiteraard afkomstig was van de maatschappelijke bovenlaag, heeft nooit rekening gehouden met de eigen artistieke waarden en activiteiten van de huidige arbeidersklasse en boerenstand, waarvan diezelfde bovenlaag was afgesneden, omdat ze zichzelf de beperking had opgelegd dat ze geen andere creativiteit wenste te erkennen dan die van haar eigen soort. De technologie heeft een herverdeling van intellectuele voorrechten teweeggebracht.

Natuurlijk zijn er ook verschuivingen opgetreden in de opvattingen over cultuur; massaal gebruik leidt onvermijdelijk tot verandering. Pop-, reggae-, rock- en rapconcerten trekken overal ter wereld gigantische mensenmassa's, waarvan de omvang die van het publiek van Bach of Mozart verre overtreft. Deze muziek is het enige mij bekende voorbeeld dat de huidige, vol verlangen gekoesterde fantasie over de wereld als een global village rechtvaardigt; door middel van radio, cassette en compactdisc slaagt de democratische kunstcommunicatie erin om volkeren over bitter bestreden grenzen heen te verenigen, althans waar het hun luidruchtige, soms extatische waardering betreft.

Maar de allergrootste cultuurverandering is teweeggebracht door de televisie. De televisie heeft de menselijke perceptie veranderd, de manier om de wereld te leren kennen en te ontvangen.

Onder de vijf zintuigen neemt het gezichtsvermogen nu de allereerste plaats in; kijken is de belangrijkste vorm van begrijpen geworden. Hoewel de televisie spreekt, ontlenen het kind, de puber en zelfs de volwassene en bejaarde met een aanzienlijke rechtstreekse levenservaring hun realiteit aan de eindeloze stroom beelden die erdoor wordt afgegeven.

De invloed van deze indirecte visuele ervaring op de schilderkunst begint langzamerhand sterker te worden dan enkele andere bewegingen die de kunst in onze eeuw hebben getransformeerd en waarin werd gepleit voor 'een wederopbloei van de verbeelding, gebaseerd op een combinatie van het door de psychoanalyse geopenbaarde Onderbewuste en een nieuwe nadruk op magie, toeval, irrationaliteit, symbolen en dromen''.

Deze technologische invloed zal die van het surrealisme, abstractisme en conceptualisme wellicht overtreffen. Het gevaar van de televisie schuilt onder andere in de populariserende combinatie van elementen van deze drie -ismen: het vergroten en verkleinen van de ruimte en het plaatsen van bekende voorwerpen in een irrationeel licht, waarbij de TV-camera ten bate van een reclamespotje als de surrealistische verbeelding fungeert; de neiging tot abstractie die wordt gestimuleerd door een versnelde opeenvolging van beelden waardoor het figuratieve tot een kolking van licht, kleuren en lijnen wordt vervaagd; en de conceptuele keuze van het beeldmateriaal die het gevolg is van de noodzaak van de televisie om ideeën te presenteren in de vorm van iconografieën.

Het valt niet te ontkennen dat de televisie het visuele veel meer macht heeft verleend dan de film ooit heeft gekund. Als gevolg van deze dienst van de technologie aan de kunst die zich in onze eeuw heeft ontwikkeld, hebben wij een menselijke mutatie voortgebracht, een soort die de indirecte ervaring in de plaats stelt van de werkelijkheid.

Wij zijn niet alleen kinderen van onze tijd, maar ook van onze plaats. Mijn eigen bewustzijn en onderbewustzijn, van waaruit ik schrijf, zijn zelfs in de meest persoonlijke aspecten van geest en mentaliteit voorbeschikt door de historisch-politieke voedingsbodem waarop ik geboren ben. Mijn persoonlijke beleving van de beslissende momenten van onze eeuw wordt door twee gebeurtenissen overheerst: de val van het communisme en het einde van het kolonialisme. En deze twee uitzonderlijke ontwikkelingen zijn voor mij op een subjectieve, zelfs tegenstrijdige manier met elkaar verbonden, aangezien ik als koloniaal van de tweede generatie ben geboren in een kapitalistisch-racistische samenleving en ik gaandeweg Links als de oplossing ben gaan beschouwen voor de onderdrukking van de armen en machtelozen overal om mij heen, in mijn vaderland en de wereld.

De Indische filmer en schrijver Satyajit Ray heeft gezegd: “Om grotere zaken aan het licht te brengen, moet men oog hebben voor de aanwezigheid van het wezenlijke in het kleinste detail.” Het wezenlijke detail dat de grotere zaken in mijn leven aan het licht bracht, heeft zich al heel vroeg gemanifesteerd. Ik werd als peuter meegenomen om met een vlaggetje naar de Prins van Wales te zwaaien, de toekomstige Edward VIII, toen deze een bezoek bracht aan het toen nog tot het Britse Gemenebest behorende Zuid-Afrika. Toen ik opgroeide, liet men niet na mij telkens opnieuw aan deze gewichtige gebeurtenis te herinneren, met de bedoeling mij een waardenbesef in te prenten: trouw aan en eerbied voor de macht van het Britse Rijk, de macht van de blanke.

Niemand achtte het voor de vorming van mijn waardenbesef noodzakelijk mij te vertellen dat Mohandas Gandhi woonachtig was geweest en zijn filosofie had ontwikkeld in het land waar ik geboren was en mijn leven zou doorbrengen. Het wezen van het koloniale ethos waarmee ik ben opgevoed schuilt in één klein detail: het vlaggetje dat ik kreeg om mee te zwaaien.

Zuid-Afrika bracht een leger op de been om het nazisme te bestrijden, wat het met verve deed; en dezelfde dappere mannen en vrouwen maakten zich na hun terugkeer weer onbekommerd schuldig aan racisme. In deze oorlog had Zuid-Afrika niet onder een invasie of bombardementen te lijden, maar wel was er een tekort aan verpleegsters. Als zeventienjarige Rode Kruis-rekruut werd ik naar een eerstehulppost bij een goudmijn gestuurd in de stad waar ik woonde. Daar zag ik hoe de blanke ziekenverzorger van de mijn zonder enige verdoving de gapende wonden hechtte die de zwarte mijnwerkers als gevolg van vallend ondergronds gesteente hadden opgelopen. Grijnzend zei hij tegen me: “Ze voelen niet wat wij voelen.”

Noch de schietpartijen in 1960 in Sharpeville, noch Steve Biko en tal van naamloze anderen die als gevolg van marteling en verwaarlozing in de gevangenis zijn omgekomen, noch de duizenden die in de jaren zestig en zeventig onder bedreiging met geweren en honden van het land zijn verdreven dat de blanken voor zichzelf opeisten, schetsen in mijn ogen een zo tekenend beeld van het racisme als die ene opmerking bij de mijn.

De ineenstorting van de Sovjet-Unie waarvan deze eeuw getuige is geweest, is niet veroorzaakt door gedesillusioneerdheid, zoals het Westen zo triomfantelijk beweert, maar door het intense gevoel in de steek gelaten te zijn, dat zich niet alleen bij voormalige communisten manifesteert maar bij allen voor wie de linkse, socialistische idealen pal overeind blijven staan - ook al zijn ze in vele landen, en niet in de laatste plaats in de Goelags van hun land van oorsprong, verraden en ontheiligd.

Hoe men ook over de gevolgen ervan mag oordelen, de belangrijkste gebeurtenis in de sociale organisatie van onze eeuw is ontegenzeglijk de Oktoberrevolutie geweest, getuige het feit dat een derde van de mensheid onder regimes heeft geleefd of nog steeds leeft die daar rechtstreeks van zijn afgeleid. Betekent het uiteenvallen van de Sovjet-wereld vóór het einde van dezelfde eeuw die haar heeft zien ontstaan een overwinning voor de democratie, of alleen maar een terugkeer van het liberalisme dat na de Eerste Wereldoorlog niet heeft kunnen voorkomen dat de armen en werklozen in Italië en Duitsland zich tot het fascisme wendden voor de oplossing van hun problemen, waarvan vele zich momenteel opnieuw voordoen?

Men gaat gemakshalve voorbij aan het feit dat het communistische Sovjet-leger in de Tweede Wereldoorlog een beslissende rol heeft gespeeld bij het verslaan van de nazi's; alleen het kwaad dat je doet leeft voort, niet het goede. Toch is een van de grootste positieve ontwikkelingen van onze eeuw, de beëindiging van het kolonialisme, waarvan de totstandkoming in schril contrast staat met de tragedie van de Russische poging om het lot van ons mensen te verbeteren, voor een groot deel te danken aan de denkbeelden die zich bij Marx en Lenin hebben uitgekristalliseerd en die in een ander licht zijn geplaatst door Rosa Luxemburg, Gramsci, Mao Zedong, Ho Chi Minh en Fanon, om het prisma maar eens te verdraaien en enkele van de vele facetten te onthullen.

Wat mijn eigen land, Zuid-Afrika aangaat, kan ik u verzekeren dat het feit dat de communisten de rassenscheiding haar economische en sociale basis hebben ontnomen, van grote invloed is geweest en het aangeboren, onontkoombare verlangen van de mensen om zich te bevrijden in belangrijke mate heeft versterkt.

De andere bepalende factor voor de bevrijdingsbeweging in Zuid-Afrika is een van de waarlijk grote figuren uit onze eeuw geweest, en het feit dat hij daarin heeft geleefd moge enigszins opwegen tegen de monsters die diezelfde eeuw heeft voortgebracht.

Een jonge Indische advocaat die naar Zuid-Afrika kwam om de Zuidafrikaanse Indiërs tegen discriminerende wetten te beschermen, werd Mahatma Gandhi, een oorspronkelijk denker die zich verdiepte in de aard van de macht en die, hoewel hij niet de zuiver politieke linkse opvatting huldigde dat macht slechts een middel was om zich te bevrijden, er desondanks in slaagde om dit middel te benutten voor het ontwikkelen van een hoog moreel bewustzijn.

Dit oorspronkelijke denken is een belangrijk onderdeel van de intellectuele vooruitgang van onze eeuw, en wellicht de enige werkelijke spirituele vooruitgang in een tijdperk van religieus verval dat wordt gekenmerkt door de meest zonderlinge geloofsverdraaiingen en, uiteindelijk, door barbaars fundamentalisme. Gedurende zijn verblijf in Zuid-Afrika formuleerde Gandhi een machtstheorie die hij Satyagraha noemde, een taalkundige samentrekking van de woorden 'satya' (waarheid) en 'agraha' (standvastigheid), en die hij definieerde als “de kracht die uit Waarheid en Liefde geboren is, oftewel geweldloosheid”.

Gandhi's filosofie, die tot de bevrijding van India leidde, werd een onderdeel van de strijd die tot de bevrijding van mijn eigen land, Zuid-Afrika, heeft geleid. “Satyagraha gaat uit van het overwinnen van de tegenstander door middel van het eigen lijden.”

Voor de Zuidafrikaanse bevrijdingsbeweging voorzag Gandhi's stelling niet alleen in een tactiek voor de in de jaren vijftig georganiseerde, geweldloze verzetscampagnes tegen de onrechtvaardige apartheidswetten, maar ook in een tekst om het ondraaglijke eigen lijden van de zwarten te helpen verlichten dat de tol was voor hun latere gewapende verzet, of het nu om het gooien van stenen ging als antwoord op de kogels waarmee de politie de townships bestookte, of om de hitte en de dorst van de guerrilla-oorlog in de bush.

De apartheid was een belichaming van het nazisme. De theorieën inzake de superioriteit van het blanke ras en de meeste weerzinwekkende en wrede manieren waarop die ten uitvoer werden gebracht, kwamen onder beide regimes overeen, behalve dan dat waar in Duitsland de joden, zigeuners en homoseksuelen het slachtoffer waren, in Zuid-Afrika de meerderheid van de bevolking het slachtoffer was, namelijk iedereen die geen blanke huid had.

De apartheid was ook een belichaming van het fascisme, als daaronder, zoals Umberto Eco schrijft, een regime moet worden verstaan “dat elke handeling van het individu ondergeschikt maakt aan de staat en zijn ideologie”.

De apartheid verenigde, verborgen in haar eigen kwaad, deze twee kwaden in zich, die waren ontstaan door de armoede die de Eerste Wereldoorlog met zijn vernietiging van mensenlevens teweegbracht, en die de Tweede Wereldoorlog verondersteld werd verbannen te hebben door middel van zijn vernietiging van mensenlevens.

En ten slotte was de apartheid het laatste bedrijf in het beschamende kolonialistische treurspel van de beschaving, waarin de hoofdrollen werden vertolkt door de theorie van de rassesuperioriteit en de theorie van de onderwerping van iedere individuele handeling aan het staatsgezag, die in allerlei vermommingen waren gestoken door de koloniale machten en degene zonder koloniale bezittingen die van de goedkope grondstoffen profiteerden.

Het ongeëvenaarde, onbetwistbare prestige en respect dat Nelson Mandela op dit ogenblik in de wereld geniet, is niet alleen een erkenning van het feit dat hij er samen met en voor zijn volk in is geslaagd het gruwelijke 20ste-eeuwse sociale experiment af te schaffen dat apartheid heet. Het is ook een erkenning van het feit dat andere afschuwelijke sociale experimenten die in onze eeuw zijn beproefd, eveneens het onderspit hebben gedolven in de landen waartoe ze hun toevlucht hadden genomen. En ten slotte is het een eer die hem bewezen wordt vanuit de erkenning dat het om iets veel groters ging dan het lot van één enkel land; het was de overwinning van de mensheid op het eeuwenoude juk van het kolonialisme.

Hoewel Mandela de wereld geen nieuwe moraalfilosofie heeft geschonken, zoals we van Gandhi zouden kunnen zeggen, heeft hij op die manier wel voltooid wat door Gandhi was begonnen.

In haar totaliteit kan onze eeuw op verschillende manieren worden bezien. De oorlogen die zijn gevoerd, de militaire nederlagen die in economische overwinningen zijn omgezet, de ideologieën die zijn opgekomen en ten onder gegaan, de technologie die tijd en afstand in elkaar heeft geschoven.

De rechten van vrouwen zijn eindelijk als volwaardige mensenrechten erkend en in menige moderne grondwet verankerd.

En onze geschiedenis heeft haar ironische trekjes: zoals de 20ste-eeuwse staat Israël. Nadat zij tweeduizend jaar lang de hele wereld over waren gejaagd, vonden de joden een thuis in het gebied dat in het verre verleden aan hun voorouders had toebehoord en waarover Engeland op dat moment een koloniaal onderdrukkingsbewind voerde dat een mandaat werd genoemd; het resultaat was dat de joden in de kolonialistische positie van bezetter kwamen te verkeren en macht gingen uitoefenen over een ander volk met eeuwenoude voorouderlijke aanspraken op het land, de Palestijnen.

Freud veranderde ons zelfbeeld en onze gevoelswaarneming, waardoor de mogelijkheden om de geheimen van het menselijk gedrag te begrijpen werden bevorderd. Een andere manier van waarnemen verplaatste zich van Picasso's Guernica naar het Campbell's Soup-blikje en vervolgens naar de in plastic verpakte Rijksdag, en illustreerde daarmee onze cyclussen: de aanbidding van geweld en vernietiging, de aanbidding van het materialisme en het verlangen om de keuzen die wij hebben gemaakt te verhullen en te vergeten.

Maar wat zijn de factoren die van invloed zijn op het - ons - dagelijks bestaan dat zich van de ene kalendergebeurtenis naar de andere rept - een voortdurend kenmerk van het leven aan het eind van een eeuw - over passaatwinden en continenten en landsgrenzen heen, het dagelijks bestaan dat door alle rijken en armen ter wereld wordt geleid, zij het onder heel verschillende omstandigheden?

Doop een vinger in een donkere, stroperige substantie en schrijf op het venster van de wereld: OLIE.

Er heeft altijd ontzag bestaan voor goud, een mythologie waarin goud als het summum van materiële waarde gold; goud als de alchimie waarmee het lot van de mensheid onverbrekelijk verbonden was. Aan het eind van deze eeuw dient die betekenis aan olie te worden toegekend.

Olie is op een onheilspellende manier met onze tijd verbonden; het was de basis van het Nobel-fortuin waaruit de Vredesprijs voortkwam... evenals vernietigingsmiddelen waarvan niemand had kunnen dromen. Het is het 'waarom' van vele hedendaagse oorlogen.

Mannen, vrouwen en kinderen sterven voor olie, zonder dat ze het zelf weten. De weldaad die de lampen deed branden en onze voorouders uit hun duisternis verloste, die de machines aandreef en ook nu onze huizen nog verwarmt, is tot een wijdverbreide bron van bloedige conflicten verworden, de bescheidener variant van dat andere produkt van de menselijke vooruitgang dat in dienst van het geweld is gesteld, de atoomkracht.

Op het gebied van de menselijke betrekkingen heeft onze meest intieme vorm een verandering ondergaan. Wij kennen een grotere seksuele vrijheid dan enige generatie voor ons. Maar ondanks de seksuele vrijheid die ons door Freud, door de wet en door de medische ontdekkingen is geschonken, worden wij nu met de ultieme belemmering geconfronteerd: dood door seks. Aids. Een ongeneeslijke ziekte.

Hoe komen wij daaraan? Is het iets waarvoor we niet door ons eigen gedrag verantwoordelijk zijn? Een mutatie in die krioelende soep van lagere levensvormen waarin wij ons bestaan leiden, maar waarover we geen controle kunnen uitoefenen? Iets dat we dus hulpeloos in ons vlees en bloed herbergen? Of is het iets dat we zelf hebben gedaan, dat we over onszelf hebben afgeroepen door onze manier van leven?

Onvermijdelijk zijn er sommigen die dit probleem in morele termen bezien, en dan niet alleen in directe termen van seksuele promiscuïteit (en niemand kan met zekerheid zeggen dat wij promiscuër zijn geworden dan eerdere generaties, aangezien we dienaangaande misschien alleen maar openhartiger zijn). Hebben we misschien onze andere, slechts voorwaardelijke vrijheden misbruikt, door over de wereld te trekken zonder acht te slaan op de sociale en seksuele mores van andere rassen en volkeren, door het massaal overschrijden van de grenzen tussen landen en klassen niet als een cultuuruitwisseling te beschouwen, maar als een uit de weg ruimen daarvan, aangezien verschillen zich het gemakkelijkst laten overbruggen door voor niets of niemand respect te hebben, noch voor anderen, noch voor onszelf?

Hebben wij afgeleerd om de consequenties van ons handelen te aanvaarden, of het nu om het vertrappen van monumenten gaat of om het verleiden, zijn we huurlingen geworden van de morele uitbuiting die vermomd gaat als vrijheid - wegrijden, aan boord van het eerste het beste vliegtuig stappen, niet malen om de goden van het boeddhisme, hindoeïsme, de islam en andere? De jonge westerlingen uit de jaren zestig gingen nog elders op zoek naar God, zochten enige spirituele leiding in hun zogenaamde bekering tot het boeddhisme, waarvan de bezielende troost eerder modieus dan ontologisch was, een travestie van het werkelijke geloof.

Maar het valt niet te ontkennen dat in de jaren negentig de kerken van de gevestigde christelijke orde leeg zijn. In de joods-christelijke wereld lijkt voor de godsdienst alleen nog een actieve, onmiskenbare rol te zijn weggelegd in sekten, als een uitingsvorm van conservatisme; het herleefde, oeroude fundamentalisme van de ultra-orthodoxe joden en het nieuwe fundamentalisme van de wedergeboren christenen in de Verenigde Staten van Amerika. Sommige Afrikaanse nationalisten brengen het geloof van hun voorouders in stelling tegen het verraad van de christenen dat zij hebben ervaren.

Dat mensen met een verschillend geloof om zowel politieke als religieuze redenen in een heftige fundamentalistische strijd verwikkeld raken, is in de godsdienstgeschiedenis geen uitzondering. Maar in het laatste kwart van onze eeuw heeft het religieuze fundamentalisme zijn krachten op tot dusver ongekende wijze gebundeld met het politieke terrorisme.

Het moslim-fundamentalisme, dat een verdraaiing van een grootse godsdienst is door een stel afgedwaalde fanatici uit zijn eigen gelederen, voert een campagne die rondwaart door de wereld, vaardigt de doods-fatwa uit tegen als ketters gebrandmerkte schrijvers en geleerden en bedreigt in een toenemend aantal landen het bestaan of de vestiging van een democratische, seculiere vorm van vrijheid.

Tot de totaliteit van onze eeuw behoort ook het opdoemen van een nieuwe inquisitie, zij het ditmaal niet in naam van het christendom. Het monster dat, in de woorden van W.B. Yeats, ooit naar Bethlehem sjokte om geboren te worden, sjokt nu naar Mekka.

Onze eeuw is “zonder twijfel de meest moordzuchtige eeuw geweest die ons bekend is, zowel wat betreft de schaal, de frequentie en de duur van de oorlogen waardoor ze werd gevuld, met een heel korte onderbreking in de jaren twintig, als wat betreft de ongeëvenaarde schaal, frequentie en duur van de menselijke rampspoed die ze teweeg heeft gebracht, van de grootste hongersnoden uit de geschiedenis tot de systematische volkerenmoord”. Ik citeer hier iemand die wellicht beter tot objectief oordelen in staat is dan ikzelf, de eminente historicus Eric Hobsbawm.

Het is ook de eeuw waarin in een korter tijdbestek een grotere technologische vooruitgang is geboekt en meer kennis over de menselijke intelligentie is vergaard dan in enige andere eeuw. De conclusie - en onze existentiële conclusie als kinderen van onze tijd - is dat de mensheid niet in staat is geweest om de wonderen van wat zij tot stand heeft gebracht onder controle te houden.

Nu de gedane zaken geen keer meer nemen en de honderd jaren zich opmaken om datgene te verzegelen wat er over ons zal zijn vastgelegd, zouden wij bij wijze van laatste verrichting in “het onophoudelijke avontuur van de mens” [Jawaharlal Nehru] kunnen proberen om datgene wat wij tot stand hebben gebracht onder controle te krijgen, om eens op een eerlijke manier na te denken over en vraagtekens te zetten bij alles wat er werkelijk is doorgemaakt, wat er werkelijk is gedaan. Alleen als we de 21ste eeuw van die grondslag voorzien, hebben we kans dat het een betere wordt.