Descartes (2)

De vergissing waarvan sprake is in het boek De vergissing van Descartes van Antonio R. Damasio heeft betrekking op het feit, dat lichaam en geest door Descartes worden beschouwd als twee volstrekt gescheiden zaken. Uit wat Spinoza in dit verband (in de Ethica) over zijn beroemde voorganger schrijft wordt echter duidelijk dat Descartes in dit opzicht niet consequent was. Zo ging hij ervan uit dat de menselijke geest zijn wil, via de in de hersenen aanwezige pijnappelklier, aan het lichaam kon opleggen. Via deze klier zou de geest in staat zijn volledige heerschappij uit te oefenen over het lichaam - een gedachtenconstructie waarover Spinoza zich hogelijk verbaasde en die hij een geleerd man als Descartes onwaardig achtte.

Spinoza's eigen hypothese luidt, dat God of de Natuur zich (altijd en overal) gelijktijdig op twee manieren manifesteert: via de stoffelijke Natuur in de lichamen, en via de daaraan parallel verlopende denkende Natuur in de geest van mens en dier. Elke verandering in het lichaam komt, aldus Spinoza, tot stand via stoffelijke processen, en manifesteert zich parallel hieraan, ook als een verandering in de geest - en vice versa. Ook het feit dat elke diersoort over een voor de soort kenmerkend verstand beschikt, moet vanuit de Ethica beschouwd aan dit parallellisme uit de Natuur worden toegeschreven. Spinoza zou het dan ook niet eens zijn met de uitspraak dat tijdens de evolutie het stoffelijk bestaan aan dat van de geest voorafgaat.