Chirurg en medisch directeur Dirk Jan Bakker: Formeel ben ik medeverantwoordelijk voor moord

Wat geloven we, wie vrezen we en waarom beminnen we? Iedere maand spreekt Frénk van der Linden met iemand die door overtuiging of ervaring een bijzonder inzicht heeft in geloof, dood of liefde. Dirk Jan Bakker (55), orthodox-gereformeerd gelovig, sinds kort medisch directeur van het AMC-ziekenhuis, verdedigt abortus en euthanasie waarvan hij 'principieel tegenstander' is. Een ex-chirurg over zijn verontrusting: “Dus wat krijg je dan: “Hup, prik, sssprietsj, dood - we zijn er vanaf'.”

Dirk Jan Bakker studeerde van '59 tot '66 medicijnen en begon zijn loopbaan als assistent-heelkunde in het Amsterdamse Wilhelminagasthuis. In 1975 werd hij chirurg. Acht jaar later stapte Bakker over naar het Academisch Medisch Centrum. Daar volgde in september '95 de benoeming tot de medisch directeur. Bakker is verder actief in stichtingen en commissies die zich bezighouden met (christelijke) medische ethiek.

Wat mij overkomt is... nee, noem het alsjeblieft geen goddelijke beproeving. Daarmee banaliseer je de Heer. Alsof Hij daarboven zit te glimlachen en denkt: ha, vandaag Bakker weer lekker met de banbliksem treffen. Maar een bedoeling zal Hij best hebben. Laat nou maar 's zien hoe standvastig je bent, Dirk Jan. Wat ben jij waard als de zegen wegvalt? Iedereen kijkt tegen jou op, financieel heb je alles dik voor mekaar, je carrière is om te kwijlen - maar nu even dít. Ik zit weleens te janken, hoor. Begrijp er geen bal van. Toch heeft het niet tot een geloofscrisis geleid. Ik blijf dankbaar voor elke goede dag.

Fundamentalisme is: geloof of ik schiet. Zo wil ik niet zijn. Ik ben Nederlands Gereformeerd - 'onwrikbaar calvinistisch', zeggen ze in het AMC - maar ik heb geen behoefte om mensen die God afwijzen van de wereld te knallen. Ieder het zijne. Ieder is verantwoordelijk voor zichzelf.

Mijn vader was AR-wethouder in Zaandijk, later burgemeester. Geen dogmatisch man: 'Tittels en jota's zijn niet de essentie van ons geloof'. Midden in de Tweede Wereldoorlog kreeg hij een pak op z'n donder van strengere mannenbroeders in de Gereformeerde Kerk. Er was een theologisch leergeschil over de doop. Gelovigen als mijn vader zagen het zogenaamd verkeerd en werden eruit gegooid. Hij mocht niet meer meedoen aan de viering van het avondmaal, wat wil zeggen dat je geen deel hebt aan het Rijk van Christus. Sterf je op zo'n moment, dan kom je niet in de hemel. Als kind van vier snapte ik het niet: in enen mochten we alleen nog op de achterste bankjes van de kerk zitten. Mond dicht en je nergens mee bemoeien. Op een gegeven moment hield zelfs dat op, gingen we zondags naar een schoollokaaltje voor diensten in kleine kring. Uiteindelijk voegden we ons bij de Vrijgemaakt Gereformeerde Kerk van professor Klaas Schilder. De rillingen lopen me over de rug als ik dit vertel. Het is om je dood te schamen: alsof mensen in 1944 niks anders aan hun hoofd hadden.

Ik deed op mijn zestiende geloofsbelijdenis. Dat is vrij vroeg. Ik zat net op de Kweekschool voor de Zeevaart. Voelde: ik ben er klaar voor. Mijn ouders vonden het een geruststellend idee dat ik die stap zette voordat ik de wijde, woeste wereld in ging. Als stuurmansleerling in dienst van de Holland Amerika Lijn vertrok ik met een hagelwitte pet op mijn kop naar havens als Hamburg, Londen, Lissabon, Veracruz, Tampa, New York. Daar stond je dan, op de brug: uitzicht op de skyline van Manhattan bij zonsopgang. Vrijheidsbeeld, mist over de Hudson... en dat halverwege de jaren vijftig, toen je al mocht opscheppen als je een trip had gemaakt naar het drielandenpunt.

Ik was geen heilige boon. Ik heb menige zeemanskroeg van binnen gezien. Afmeren in Havana betekende als de donder naar de Apple Club. In het Cuba van Batista dansten de meiden nog pornodansjes. Niet goed, he-le- maal niet goed, maar ik vloog daar bij wijze van spreken op af. De grens lag bij inhaken. Als mijn maten met die vrouwen de hort op gingen, pakte ik een taxi terug naar het schip. Eerlijk gezegd voelde ik me sowieso niet lekker in die bar. Stel je voor dat de zaak in de brand vliegt, dacht ik bij mezelf. Dan krijgen mijn ouders straks te horen dat ik in een zondige omgeving de geest heb gegeven. De vreze Gods was nooit ver. Primitief, en toch niet zo slecht. Tegenwoordig mijd ik zulke gelegenheden.

Omdat ik bijziend werd aan een oog ben ik gestopt met varen. Ik ging medicijnen studeren, wilde chirurg worden - ook aan de wal moest het iets spectaculairs zijn. Terwijl ik op de universiteit zat, midden jaren zestig, ontstond in de Vrijgemaakt Gereformeerde Kerk een nieuwe splijting. Er was een sfeertje gekomen van: je kunt vrijgemaakt zijn en je kunt goed vrijgemaakt zijn. Je hoorde je aan dit te houden, aan dat, aan zus, aan zo. Naast de Schrift was er een hele stapel voorschriften. En je moest GPV stemmen. Het heette 'doorgaande reformatie'; het bleek doorsláánde. Mijn vader vond het een keuze voor wereldvreemdheid, voor isolement. Hij weigerde erin mee te gaan. Trouw aan de Anti-Revolutionaire Partij was voor hem een hoog goed. Zijn kerkgenoten verguisden hem: hij wilde er als wethouder voor alle burgers van Zaandijk zijn, en was dus zo 'getikt' voetbalvelden aan te leggen die gebruikt mochten worden voor zondagsport. Het kwam tot een breuk. Mijn ouders en ik werden tezamen met geestverwanten 'buiten het verband gesteld'. Dat clubje ontwikkelde zich tot de Nederlands Geformeerde Kerk, waar ik me tot op de dag van vandaag thuis voel.

Ik ben een naïef gelovige. Ik zie God eigenlijk nog steeds als een vriendelijke grijsaard met lange baard, type kinderbijbel. Een vaderfiguur met wie je vertrouwd kunt praten. De problemen die ik nu heb, leg ik Hem iedere avond voor. Of er verandering in kan komen. Of ik er iets aan kan doen. Ik zie Hem niet, maar Hij is vlak bij me. Voor mij is het niet te geloven dat mensen niet geloven. Daar zit het onwrikbare: ik ken geen twijfel. Wel doe ik verkeerde dingen. Ik ben niet zonder zonden. Ik maak een bescheiden indruk - maar ondertussen. Als ik mezelf niet onder de duim houd, treed ik voortdurend op de voorgrond. Ik ken deze pappenheimer zo langzamerhand, ik weet waar ik voor moet oppassen. Zeker in deze periode weet ik me gevoelig voor vrouwelijk schoon. Soms balanceer je op de rand, maar gebeurt er iets waardoor het er net niet van komt. Een telefoontje: 'Spoedgeval, kom snel naar het ziekenhuis'. Zo blijf je ervoor bewaard. De voorzienigheid, denk ik dan maar.

Kun je gereformeerd opereren? Technisch gezien niet. De schurken in dit vak verrichten precies dezelfde handelingen als de schatten. Je bent een handwerksman, een sleutelaar. Cardio-chirurgen noemen elkaar 'loodgieters': een by-pass maken van de aorta naar een kransslagader is een variant op wat er in badkamers en keukens gebeurt. Ikzelf was algemeen monteur. Een all round-chirurg, een van de laatste der Mohikanen in een medische wereld die steeds meer superspecialiteiten telt. Ik heb zo'n beetje alles gedaan wat mogelijk is op snij-gebied. Van het grove werk - handenvol darmen - tot het gemillimeter in de vaatchirurgie. Ze zeggen dat ik vooral goed was in operaties aan de bijschildklieren. Mensen hebben vier van die flubbertjes. Ze zitten in de hals, regelen de kalk- en fosfaatstofwisseling, zijn vaak moeilijk te traceren. Je moet een pietluttig en kalm karakter hebben om zulke ingrepen knippie voor knippie voor knippie te verrichten. Druktemakers die ongeduldig wroeten, veroorzaken bloedingen. Dan verdwaal je.

Ik opereerde in die zin christelijk dat er bij mij in de OK altijd rust heerste. De één staat haastig poen te verdienen, de ander legt wat meer nadruk op het gebod tot naastenliefde. Geld, dat wil wat. In bepaalde delen van het land worden bijvoorbeeld veel meer baarmoeders verwijderd dan in andere delen. Dat zal wel te maken hebben met de verleiding die uitgaat van het verrichtingensysteem: een specialist wordt per ingreep betaald. Dus hoe hoger zijn hypotheek, en hoe meer alimentatie hij moet betalen... Dokters zijn mensen, dat wordt weleens vergeten.

Mijn leidraad is het bijbelse woord 'met ontferming bewogen'. Als collega's boven een opengesneden borstkas met instrumenten begonnen te gooien en vloekten van god hier en jezus daar, zei ik: 'Probeer het eerst zèlf; lukt dat niet, dan vragen we hulp'. Trad er plots een bloeding op, dan drukte ik mijn vinger op het gaatje en vertelde ik een Belgenmop. Grote pret. Tegen de tijd dat iedereen weer ontspannen was, pakte ik de complicatie aan.

Opereren is verminken. Een uiterst gewelddadige bezigheid. Ik snijd, ik schend. Ik breng die schade toe omdat de potential benefit groter lijkt. Niemand zal uit mijn mond vernemen dat-ie door een operatie honderd procent beter wordt. Medici moeten geen illusies verkopen. Een litteken op die voorheen prachtig strakke buik is wel het minste waarmee je naar huis gaat. Ik heb ooit een niersteen laten verwijderen; tot op de dag van vandaag voel ik waar de chirurg mij heeft gepenetreerd.

Het mes valt dus aan - en legt de schepping bloot. Honderden keren heb ik dat weerloze leven zien trillen. De nier! De schoonheid van de nier! Tijdens een transplantatie zie je zo'n wit, schoongespoeld donorexemplaar klaarliggen. Een vettige kwab, niks. Je pakt 'm op, legt 'm in het lichaam, sluit 'm aan, verwijdert de klem van het bloedvat... pats, in één keer schiet-ie vol. Direct begint het orgaan te functioneren en druppelt er vocht uit de urineleider. Een stuk vlees dat 'zeeft', schitterend. De tegenovergestelde ervaring is de confrontatie met kanker. Weefsel dat zich niet aan de regels houdt, dat overal dwars doorheen groeit, dat een gladde, roodbruine lever verandert in een vies, wankleurig wrattending. Kanker óógt als kanker: bederf.

Bepaalde momenten in de OK blijven je je hele leven bij. Een roodharig jongetje van zes, geschept door een bus. Een meisje van tien, hersendood, bij wie ik organen moest uitnemen. Vragen, vragen, vragen. Waarom zij? Waarom is mijn eigen kroost wél gezond van lijf en leden? Hoe vaak heb ik niet gedacht: verdikkeme, dit zou vast een beter mens zijn geworden dan ik. En hoe vaak heb ik me niet machteloos gevoeld. Je maakt iemand open: pikzwarte darmen. Het liet zich aanzien als een ordinair maagprobleem, het blijkt een aandoening die de bloedtoevoer totaal blokkeert. Niets aan te doen. Je naait zo'n man dicht en wacht ontdaan op het einde. Koud een half uur later is het over and out.

Levensreddende operaties kunnen net zo aangrijpend zijn. Een vrouw komt zonder pols op tafel. Gebarsten buikslagader. Ze is dood als je begint. Toch maar wat rommelen. Zie je onverwachts de lampjes flikkeren en de wijzers uitslaan. Nee maar: en ze leefde nog lang en gelukkig. Vervolgens krijg je vaak te maken met operatiekamerhumor. Teamleden vertellen opgelucht schunnige bakken, bespreken de tweede auto, het derde huis en de vierde echtgenote of doen grappig over het 'dikke wijf' dat daar ligt. Ergerniswekkend.

Ooit heb ik op één dag twee mannen met een steekwond in het hart tussen 'de kaken van de dood' vandaan gehaald. Ternauwernood een week later liet ik ze zo fris als een hoen mijn collegezaal binnenmarcheren. Dat zou ik nu niet meer doen. Teveel 'kijk mij nou eens'. Chirurgen zijn macho's. Ze werken in een operating theatre, in een spotlight, en wanen zich God op aarde. Voor vijftig procent zijn ze door patiënten op dat voetstuk geplaatst; voor vijftig procent zijn ze er zelf opgeklommen. Het deel waar je zelf over gaat, moet je terugbrengen naar nul. Je hoeft er weinig voor te doen: beseffen dat 'jouw' wonderen plaatsvinden bij de gratie Gods. Hoe meesterlijk jij ook kunt hechten, als de randen van de wond niet natuurlijk zouden vergroeien was er geen sprake van genezing.

Tegenover de grote bekken als het goed gaat, staat het gebrek aan openheid - het zwijgen - onder chirurgen over gemaakte fouten. En dat terwijl de meeste klachten juist ingediend worden tegen snijdende specialisten. Ik heb zelf een keer meegemaakt dat een patiëntje niet lekker opknapte, koortsig bleef. Foto's gemaakt: niks te zien. Toen ik dat kind van armoede maar weer onder het mes nam, kwam er een stuk gaas tevoorschijn dat ik per ongeluk had laten zitten. Sta je er tamelijk bedremmeld bij, hoor. Sommige vakgenoten zullen roepen dat ik mezelf nu ophang: 'Masochist'. Flauwekul. Mijn ervaring is dat patiënten buitengewoon begrijpend zijn. Ik zeg weleens: 'Als ik me menselijk toon en misstappen beken, kan ik een verkeerd been afzetten zonder dat het me kwalijk wordt genomen.'

De laatste jaren opereerde ik regelmatig met pijn. Ondanks de medicijnen die ik slikte. Ik ben reumatisch in mijn rechterhand, één vinger staat krom, soepel draaien en graaien is er niet meer bij. Gelukkig was ik geen orthopeed die af en toe een pen in een been moest timmeren, want ik kon geeneens meer een hamer vasthouden. Als ik om een hoekie moest knippen deed het al zeer. Mijn nieuwe functie kwam op het best denkbare moment. Ik begon me zorgen te maken: hoe lang houd ik het nog uit in de OK?

Wat medisch goed is, kan ethisch fout zijn. De taxatie dat een patiënt door een bepaalde behandeling het leven zal behouden, vormt op zichzelf geen legitimering van die behandeling. Jehova's getuigen zijn tegen transfusies. Zelfs in aperte noodgevallen mogen hun kinderen geen bloed van derden toegediend krijgen. Volgens vader en moeder is dan het 'eeuwig heil' van het kroost in het geding. Ik vind het verkeerd die mensen automatisch uit de ouderlijke macht te ontzetten om bloed bij te kunnen pompen. Artsen mogen geen dictators van andermans geweten zijn.

Ik ben principieel tegenstander van een aantal verrichtingen die in het vrijzinnig-liberale AMC plaatsvinden. In mijn ogen begint op het moment van de bevruchting een manifestatie van menselijk leven. Abortus mag dan wettelijk zijn toegestaan, ik noem het 'kinderen doodmaken'. Moord. Mensen die zeggen dat er alleen maar sprake is van een slijmklompje cellen, verdenk ik ervan dat ze de boel versimpelen om iets te kunnen doen waarvan ze diep in hun hart weten dat het niet deugt. Je ziet zulke dubieuze constructies wel vaker. Als ik iemand de zin 'Communicatie is de meest essentiële factor in het menselijk leven' hoor uitspreken, dan weet ik al wat er eigenlijk wordt bedoeld: euthanasie op demente bejaarden is niet zo erg.

Abortus was de eerste stap over de grens. Willens en wetens hebben we een krankzinnige situatie gecreëerd: in de ene operatiekamer vergieten artsen bloed, zweet en tranen om een baby van zeshonderdvijftig gram in leven te houden, in de kamer ernaast beëindigen ze een zwangerschap omdat mevrouw op skivakantie wil. Indicatie wintersport, slobber maar weg die boel. Ik zeg het een beetje cru, dan wordt misschien duidelijk hoe absurd we bezig zijn.

Ook over euthanasie wil ik me niet wollig uitdrukken. Mensen hebben niet het recht het leven van andere mensen te beëindigen. Ik zou zelf nooit de dodelijke injectie kunnen geven, nooit iemand op verzoek vermoorden. Het hóeft ook niet op die manier. Mensen willen niet dood, mensen zeggen dat ze dood willen omdat het leven hen in uiterst eenzame en pijnlijke omstandigheden te zwaar valt. Op de momenten dat ik zo'n noodkreet hoorde, zei ik altijd: 'Ik laat u niet alleen, en ik kan ervoor zorgen dat u niet of nauwelijks lijdt. Daar zijn spullen voor'. Ik heb hooguit tweemaal meegemaakt dat iemand dan naar een andere arts vroeg. Je zult mij niet horen beweren dat het een eenvoudige zwart-wit kwestie is, maar de geneeskunde stopt te weinig tijd en energie in het levenseinde. Onderzoek naar pijnbestrijding heeft geen prioriteit. Het lijkt veel gemakkelijker een spuitje te geven. Dus wat krijg je dan: hup, prik, sssprietsj, dood - we zijn er vanaf. Begeleiding tot aan het stervensogenblik houdt een langere, zwaardere weg in - dat weet ik uit ervaring.

Euthanasie is linke soep. Ik wil 'moderne' artsen niet vergelijken met nazi's, maar het lijkt me onverstandig de geschiedenis uit het oog te verliezen. In Duitsland gingen dokters die de lengte kregen onmiddellijk rare dingen doen. Neem nou in vitro fertilisatie. Het is mooi dat men door reageerbuisbevruchting alsnog in verwachting kan raken, maar naar mijn gevoel is die techniek in feite helemaal niet ontwikkeld om kinderloze vrouwen te helpen. Het juichverhaal is een cover up: het gaat erom embryo's te verkrijgen waarmee op een dag kan worden geëxperimenteerd. De overheid moet enorm opletten. Wij mensen zijn nu eenmaal slecht.

Tsja, waarom ga ik op de stoel van medisch directeur zitten als er dingen in het AMC gebeuren die mij tegen de borst stuiten? Goeie vraag. Het is waar: formeel ben ik, christen, medeverantwoordelijk voor moord. Maar ik word niet gedwongen te participeren. Ik verdedig eenvoudigweg het ziekenhuisbeleid naar buiten toe. Hoe onverdedigbaar ik sommige zaken ook vind. Kijk, als ik dit werk niet doe, komt er een ander. Mag ik het even dramatisch stellen? Dan is hier geen enkele tegenkracht meer. Dan zegt niemand: 'Wat hier en daar in het AMC wordt gepraktiseerd is verkeerd'. Dan gaat alles doodgewoon door. Nu ook - maar minder extreem. Ik zal mijn opinie niet onder stoelen of banken steken, en ik hoop op enige invloed.

Het AMC-bestuur kent mijn opvattingen. Het heeft mij eerder gevraagd als lid van de Ethische Commissie Patiëntenzorg mee te werken aan een euthanasie-protocol. Pluriformiteit is in ons ziekenhuis geen holle kreet: in die positie kon ik het nodige bewerkstelligen. Er kwamen stringente afspraken, duidelijke zorgvuldigheidscriteria. Toen het protocol werd gepubliceerd, zei een aantal voorstanders van actieve euthanasie: 'Als het zo ingewikkeld is, hoeft het van mij niet'. Prima. Schone handen hield ik er niet aan over, maar om Paulus aan te halen: ik voelde me 'in eigen gemoed ten volle verzekerd'. Zo is het momenteel ook. Als ik de pijp aan Maarten geef, omzeil ik mijn taak, mijn opdracht.

Ik mis mijn vader. Sterker dan ooit. Hij zat zijn leven lang op dezelfde manier tussen de wal en het schip. Bizar: zijn laatste job was economisch directeur van een ziekenhuis. De cirkel is rond, alleen kan ik er niet met hem van gedachten over wisselen. Hij overleed al op zijn zestigste. Het zou heerlijk zijn geweest met hem te praten over onze gemeenschappelijke worsteling. Als je het compromis zoekt, kotst iedereen je uit. Links noemt je een behoudende zak. Rechts zegt dat je het Woord verloochent: 'Haat ook de rok die van het vlees besmet is'. Natuurlijk komen die verwijten van mijn geloofsgenoten - 'Slachter!' - het hardst aan. Maar ik laat me niet weerhouden door kwetsende veroordelingen.

Het zou fijn zijn als het rustiger was aan het thuisfront. Dat is me in deze fase niet gegeven. Mijn vrouw en ik hebben een probleem met alcohol. Sinds een jaar of vijf. Als medicus met zoiets te worden geconfronteerd... ik vind het een crime. Alcoholisme is een vloek. Een ziekte die alles kapot maakt. Zelfs de communicatie.

Als de vrouw van een arts iets mankeert, wil hij liefhebbende echtgenoot én heelmeester zijn. Een onmogelijke combinatie. Sterker: de therapeut uithangen is contra-produktief. De kinderen blijven weg, scheppen afstand. Ze hebben een overharmonieuze jeugd gehad, zijn moeilijk in staat volwassen om te gaan met ellende. 'Sla de deur achter je dicht, laat het maar een rotzooi worden', wordt mij geadviseerd. 'Anders verandert er niks.' Maar zo ben ik toevallig niet getrouwd. Ik wil het met haar oplossen. Samen.

Ik heb me een tijd geschaamd. Dag in, dag uit ben je professioneel bezig met gezondheid, en dan zoiets. Ik schermde het af, niemand mocht het weten. Maar dat houd je niet vol. Geleidelijk aan geef je het op, ga je met mensen in de bijbelkring van de kerkgemeente praten. Die zijn je tot steun, zonder klakkeloos jouw zijde te kiezen. Ongetwijfeld hebben de problemen ook met mij te maken. Ik ben er alleen niet achter wat ik mezelf moet verwijten. Mijn vrouw zegt weleens dat ik er vroeger te weinig was: nachtenlang in de OK, anderen bijstaan.

Ik ben bereid tot relatietherapie, maar eerst moet de fles aan de kant. Zolang er een alcoholwaas over de problemen hangt, is het onmogelijk uit te zoeken wat nou wát is, waar het allemaal in wortelt. Voor het eerst in mijn leven voel ik me hulpeloos. Jarenlang heb ik van alles kunnen wegopereren, maar hier schiet mijn mes te kort. Afwachten is niet mijn manier van dingen oplossen; nu kan ik niet anders. Afwachten en bidden. Misschien is het de les in ware bescheidenheid, de les die ik verdien.