Barsten in het kleine Franse wonder

EZRA N. SULEIMAN: Les Ressorts cachés de la Réussite française

381 blz., Seuil 1995, ƒ33,30

De politicoloog Ezra Suleiman heeft zijn nieuwe boek over Frankrijk geschreven voordat het land in de greep van een van die sociale convulsies raakte, die het zo om de tien jaar lijkt te moeten ondergaan. Maar had deze Amerikaanse Frankrijk-deskundige in de toekomst kunnen kijken, dan had dit zijn betrekkelijk optimistische visie op Frankrijk waarschijnlijk niet wezenlijk beïnvloed. Want wat schrijft Suleiman? Voor wie de ontwikkelingen in Frankrijk over een lange periode heeft gevolgd, ontstaat onvermijdelijk de indruk dat het land in een chronische crisis verkeert. Wat is er niet allemaal geschreven en gezegd - in de eerste plaats door de Fransen zelf - over hun vastgemetselde samenleving, hun hyper-individualisme, hun verzet tegen 'verandering', hun aangeboren neiging tot verdeeldheid en chaos? Toch gaat het hier om een kwestie van schijn en wezen.

Suleiman begint zijn boek met de volgende vraagstelling: heeft Frankrijk zich niet altijd in een werkelijke of denkbeeldige crisis bevonden? In de dertig jaar dat ik Frankrijk heb bezocht, schrijft hij, heb ik het land nooit anders gekend dan levend op de rand van de afgrond. De Franse maatschapij is vrijwel dagelijks ten prooi aan pessimisme. Suleiman schrijft dat de Fransen er “een tragische visie op de geschiedenis” op nahouden. Alle sociale categorieën hebben de neiging de Franse samenleving in een alarmerend licht te zien. In zijn lange ervaring zegt Suleiman deze chronische alarmkreten met groeiende argwaan te zijn gaan bekijken. Hij hecht geen geloof meer aan aloude klachten over Franse kwalen als de geblokkeerde samenleving. Zijn optimistische these is dat er zich, in navolging van het Wirtschaftswunder, ook een klein Frans wonder heeft voltrokken.

Ezra Suleiman is hoogleraar in de politieke wetenschappen en Frankrijk- specialist aan de universiteit van Princeton. Samen met Stanley Hoffmann en Eugen Weber vormt hij de troika van prominente Amerikaanse Frankrijk-kenners. Zijn nationaliteit, zijn niet-Frans zijn, stelt hem in staat zich in zijn oordeel over het moderne Frankrijk te onttrekken aan het pessimisme dat in dit opzicht bon ton in de Franse academische wereld is. Suleiman kan worden beschouwd als een exponent van het revisionistische debat over 'de tweede Franse revolutie', zo genoemd naar een boek van de socioloog Henri Madras.

Suleimans boek is gelijktijdig in Frankrijk en Amerika (daar onder de titel France the transformation of a society) verschenen. Hij beschrijft de verbazingwekkende transformatie die de naoorlogse Franse maatschappij heeft doorgemaakt en de gevolgen daarvan. Zijn hoofdthema is dat Frankrijks huidige problemen goeddeels worden veroorzaakt door het snelle tempo van die modernisering, en niet door blokkeringen die aan de geschiedenis en de tradities van het land gelieerd zouden zijn. Frankrijk heeft zich definitief voor de buitenwereld geopend en heeft zijn traditionele neiging tot autarkie en protectionisme voorgoed afgezworen. Het land heeft na 1945 een agrarische revolutie doorgevoerd en vervolgens een snelle economische groei gepland en verwezenlijkt, waardoor het is geëvolueerd van een overwegend agrarisch land naar een grote industriële macht. De vierde in de wereld, na de VS, Duitsland en Japan. Suleiman schrijft: “Een maatschappij die zich heeft ontdaan van haar visie van een verschrompelde en verstarde wereld, die heeft gekozen voor de Europese opbouw, die aanvaardt af te zien van een deel van haar soevereiniteit ten gunste van een supranationaal gezag en die haar weg vindt in de wereldeconomie heeft duidelijk grote veranderingen in haar cultuur, haar manier van denken doorgemaakt.” Het land kent voorts een redelijke mate van politieke stabiliteit, sinds de door de Gaulle geïntroduceerde instellingen deel van het dagelijks leven zijn geworden.

Mythe Gelukkig voor zijn geloofwaardigheid geeft de schrijver toe dat de Franse maatschappij nog specifieke blokkeringen kent. Corporatistisch ingestelde belangengroepen verzetten zich hardnekkig tegen hervormingen. De huidige stakingschaos in Frankrijk onderschrijft deze zienswijze ten volle. De ontoereikende organisatie van de arbeidsmarkt is een ander struikelblok, maar dit is een probleem dat Frankrijk met andere Westerse landen deelt. Het begrip geblokkeerde samenleving is voor Frankrijk echter niet meer van toepassing, betoogt Suleiman. Dat begrip is een mythe geworden. De oorspronkelijke architect van die legende was Alexis de Tocqueville. In zijn analyse van twee op zichzelf staande verschijnselen, de oorsprong van de Franse revolutie en de geschiktheid van het Amerikaanse volk voor de democratie, kwam de Tocqueville tot de conclusie dat Frankrijk noch voor de handel noch voor de democratie in de wieg was gelegd.

Deze analyse heeft tot in de jaren dertig van deze eeuw haar geldigheid behouden. Maar Les Trente Glorieuses (genoemd naar het boek van de econoom Jean Fourastié, verwijzend naar de jaren 1945-'75) hebben Frankrijk zo ingrijpend veranderd dat de Tocquevilles conclusies inmiddels museumstukken zijn geworden, vindt Suleiman. Een opvatting die niet wordt gedeeld door de politicus en schrijver Alain Peyrefitte (auteur van het in 1976 verschenen Le Mal Français) en door de socioloog Michel Crozier (La Société blocquée).

In beide boeken werd de oude mythes van het conservatieve Frankrijk nieuw leven ingeblazen. Excessieve centralisatie, een anti-economische mentaliteit die door de rooms-katholieke kerk met de paplepel werd ingegoten en een verlammende politieke cultuur, versperden Frankrijks weg naar verjonging en moderniteit.

Maar Peyrefitte en Crozier hebben de enorm positieve invloed van de overheid op de naoorlogse Franse economie onderschat, betoogt Suleiman. “Niets zou op economisch, sociaal en institutioneel gebied mogelijk zijn geweest zonder een overheid die tegelijk dirigistisch en pragmatisch was”, schrijft hij. Frankrijk heeft na 1945 de onmetelijke hulpbronnen kunnen mobiliseren die het in de negentiende eeuw had opgebouwd: een solide industriële basis en een onderwijssysteem dat een technologische, industriële en bestuurlijke elite heeft kunnen afleveren.

Dat Frankrijk de afgelopen vijftig jaar zonder grote schokken de meta morforse van een overwegend agrarisch land naar een belangrijke industriële macht heeft ondergaan, werd mogelijk doordat het zich geleidelijk kon ontdoen van die factoren welke haar politieke en economische ontwikkeling afremden. Die factoren waren nu juist de door de Tocqueville gesignaleerde anti-industriële en anti-commerciële houding van de Fransen, en het door Peyrefitte en Crozier benadrukte centralisme.

Suleimans Frankrijk is in vele opzichten een succesverhaal, al benadrukt hij ook dat de gedaanteverwisseling van het land in een aantal opzichten fragiel blijft. Frankrijk heeft een nieuwe generatie van ondernemers gekregen, zijn industrie en landbouw zijn gemoderniseerd en er kwam een solide systeem van sociale voorzieningen. Ook de banksector die vroeger als een integrerend deel van de overheid kon worden beschouwd, heeft zich aan de nieuwe omstandigheden aangepast. Ten slotte heeft Frankrijk met succes kunnen inspelen op de mondialisering van de economie, hoewel dit dramatische gevolgen voor de werkgelegenheid heeft gehad.

Veranderde zeden Het tweede deel van het boek is minder optimistisch van toon. Ezra Suleiman stelt namelijk vast dat de spectaculaire transformatie van de Franse economie en de instelling van een stabiel politiek systeem vergezeld zijn gegaan van veranderde zeden in de politieke en bestuurlijke elite.

Frankrijk onderscheidt zich van andere Westerse landen in die zin dat een politieke carrière er nog aanzienlijke aantrekkingskracht uitoefent. De elite die de grandes écoles heeft doorlopen, ambieert veelal een politieke loopbaan.

De haute administration is in de loop der jaren op de adel in het ancien régime gaan lijken. De meritocratie voert er hoogtij: het is van groot belang om tot de eerst geklasseerden in de Ecole nationale d'administration te behoren.

De leden van de nieuwe aristocratie treden toe tot een kaste waaraan zij trouw zweren en die hun in ruil voor die loyaliteit een arsenaal aan voorrechten verschaft. Dit teruggrijpen naar in wezen pre-revolutionaire waarden heeft merkwaardig genoeg meer gemopper dan werkelijke oppositie opgeroepen. In dit opzicht zou Frankrijk nog wel van conservatisme kunnen worden verdacht.

Deze politieke elite nu is haar geloofwaardigheid aan het verliezen. De ethiek van de overheidsdienst dreigt steeds meer door de rubriek van de faits divers in het gedrang te komen. Uit onderzoek blijkt dat de doorsnee Fransman er van overtuigd is geraakt dat zijn politieke leiders lak hebben aan gedragscodes die deze voor de rest van het land wel bindend willen verklaren.

Het imago van de overheid die zoveel tot het 'Franse wonder' heeft bijgedragen is scheuren gaan vertonen. Terecht stelt Suleiman het gebrek aan doorzichtigheid in het Franse politieke leven aan de kaak. De bezitsverhoudingen van politici zijn geheim. Er bestaat in Frankrijk geen werkelijke controle van de politieke macht, of het nu om het staatshoofd, de regering of plaatselijke besturen gaat. Zolang de situatie voor beide partijen voordelen biedt, heeft noch de oppositie noch de partij aan de macht belang bij verandering. Cracher dans la soupe is uit den boze, niemand wil spelbederver zijn.

De staatsinstellingen die tot taak hebben over de fatsoensregels van het politieke métier te waken, hebben bij afwezigheid van sancties slechts beperkte invloed. Zo onthult de Cour des Comptes (Rekenkamer) elk jaar wel ernstige misstanden, maar sancties kan dit instituut niet uitspreken.

Sinds enkele jaren slaagt een handjevol rechters erin affaires van politieke corruptie daadwerkelijk aan te pakken. Die rechters vinden in hun delicate werk steun bij de onderzoeksjournalistiek die kranten als Le Canard Enchaîné Le Monde en Libération bedrijven. Maar van een echte doorbraak bij de magistratuur is nog geen sprake. Daarvoor zijn de verhoudingen in de rechterlijke macht nog te hiërarchisch en zijn de rechters vooral in politiek gevoelige zaken te zeer afhankelijk van het ministerie van justitie. Daarbij komt dat onderzoeksjournalistiek nog een minderheidsverschijnsel is. De meeste kranten passen, waar het de faits et gestes van de politici betreft, zelf-censuur toe. De omstandigheid dat vele kranten deel uitmaken van industriële groepen die bij de status quo gebaat zijn, is daar niet vreemd aan.

Corruptie De in de jaren tachtig doorgevoerde decentralisatie heeft de bestuurlijke tirannie van Parijs wat aan banden kunnen leggen, maar heeft tegelijk de corruptie op gewestelijk en plaatselijk niveau in de hand gewerkt. Die bestuurlijke decentralisatie heeft vooral de burgemeesters tot potentaatjes gepromoveerd. De verleidingen voor de ruim 36.000 burgervaders die Frankrijk telt, zijn navenant groot geworden.

De aversie van de kiezers tegenover de politieke elite wordt verder in de hand gewerkt door het verschijnsel van de cumulatie van mandaten. Alain Juppé is daar een voor de hand liggend voorbeeld van. De man is niet alleen premier, maar ook burgemeester van Bordeaux en partijleider. Voor een parlementaire loopbaan is een plaatselijke politieke basis vrijwel onmisbaar geworden. De députés blijven liever in hun kiesdistrict hangen. Vandaar de bijna dagelijks terugkerende tv-beelden van ministers, die voor een bijna leeg parlement het woord voeren. Die beelden dragen bij tot de afkeer van de Fransen voor het politieke bedrijf.

Suleimans boek is helder geschreven, al is zijn proza weinig opwindend. Het valt in twee delen uiteen, maar dat doet geen afbreuk aan de inhoudelijke samenhang. In het eerste deel beschrijft hij de achtergronden van la réussite franc,aise. In het tweede deel bespreekt Suleiman de gevaren die dit succesverhaal bedreigen. Hij benadrukt dat zonder verandering van mentaliteit en ingrijpende hervormingen de Franse democratie onder zware druk kan komen te staan. Suleiman heeft zijn boek afgelopen juni, dus kort na de verkiezing van Chirac, voltooid. Het zou onrechtvaardig zijn de schrijver te verwijten dat hij de huidige troebelen in Frankrijk niet heeft zien aankomen. Wel is het betreurenswaardig dat hij zo weinig aandacht heeft besteed aan de aard van het enorme achterstallige onderhoud in het Franse staatsapparaat. Een nagelaten sanering van tijdens de naoorlogse hoogconjunctur opgebouwde, maar nu onbetaalbaar geworden 'verworven rechten', waarvoor eerdere regeringen de verantwoordelijkheid dragen en waaraan het huidige regime - op een weinig pedagogische manier, maar toch - iets probeert te doen.

    • Pierre Auwerick