2.583.000

Partijlid nummer twee miljoen vijfhonderd drieëntachtigduizendnegen had niet staan dringen om zich te laten inschrijven in de Genossenadministration van de partij.

Hij had geruime tijd de kat uit de boom gekeken voordat hij zich bij de partij van de talentloze aspirant-schilder uit Braunau had aangesloten, maar na de uitreiking van het tweeënhalfmiljoenste partij-insigne had hij geen reden meer kunnen bedenken waarom hij nog langer zou wachten. Al zijn vrienden waren hem al voorgegaan en als die er wat in zagen, zag hij er ook wel wat in. Mocht het niet baten, schaden zou het ook niet. Nummer twee miljoen vijfhonderd drieëntachtigduizendnegen liet de afhandeling graag aan zijn vrienden over. Als hij er maar niet persoonlijk voor naar het partijkantoor hoefde te gaan, want hij had een aangeboren hekel om tussen het ruwe volk in de rij te staan. Op zijn contributie konden ze rekenen, die zou hij op een vaste datum laten overmaken.

Lippe-Biesterfeld (Bernhard), Beruf: Prinz, noteerde het partijsecretariaat per procuratie, onder de dagtekening: 1 mei 1933. De Partei zou hem drie jaar tot haar leden mogen rekenen. Aanhanger of meeloper, dat was de vraag, maar hij gunde zich de tijd niet om die vraag vrij van alle twijfelachtigheid te beantwoorden. Op 9 maart 1936 stuurde Genosse nummer twee miljoen vijfhonderd drieëntachtigduizendnegen een bedankbriefje (volgens de krant van afgelopen donderdag: ongesigneerd). Zijn belangen lagen intussen elders, hij stond op het punt met de mutmaszlicher Thronfolger van het Königreich der Niederlande te trouwen en zijn aanstaande schoonmoeder was zo gebeten op de nieuwe leer van de nationaal-socialisten dat hij niet eens met het insigne aan de binnenkant van zijn revers op het Loo durfde verschijnen. Er was hem wel gesuggereerd dat de partij hem het geheim lidmaatschap wilde toekennen en dat hij evengoed als buitenlands lid in de boeken kon voortbestaan, maar het leek hem toch raadzamer in zijn nieuwe nationaliteit, en vooral als lid van het Nederlandse Koninklijk Huis, niet langer een card carrying member van de NSDAP te zijn.

Prins Bernhard herinnerde zich in 1965 al niet meer dat hij in zijn Duitse jaren ooit lid van de Duitse nationaal-socialistische partij was geweest. Tegenover zijn Britse vriend de journalist Sefton Delmer, die in een achternamiddag de biografie Mijn vriend de prins schreef (De Geïllustreerde Pers, Amsterdam, 1965), sprak hij onverbloemd over de betrekkingen die hij in zijn jonge jaren met de onderafdelingen van de Bewegung had onderhouden, maar maakte in het geheel geen melding van zijn partijlidmaatschap. Misschien was dat lidmaatschap zo onbetekenend geweest dat hij het zich niet meer herinnerde, misschien had hij het verdrongen. In zijn geheugen was het in elk geval niet (meer) aanwezig.

Dat al dan niet geëffectueerde lidmaatschap (de aanmelding onbetwistbaar, de materiële betekenis geenszins) voegt in wezen niets toe aan de geschiedenis van de voormalige Bernhard von Lippe-Biesterfeld - wiens naam bij koninklijk besluit werd vernederlandst en veranderd in van Lippe Biesterfeld, met ingang van de dagtekening van zijn verheffing tot Prins der Nederlanden. Hoe wel de regering het in 1936 niet nodig vond enig politiek antecedentenonderzoek te doen (voor Colijn telde voornamelijk de opluchting over de vangst van een geschikte huwelijkskandidaat, die de toekomst van het met uitsterven bedreigde Oranjehuis zou kunnen verzekeren), was zij er volledig van op de hoogte dat de prins in rechts-radicale milieus had verkeerd. Maar op Colijn maakte die politieke connecties geen indruk, die geloofde dat er in Nederland van de prins nog wel iets gemaakt kon worden. Dat was natuurlijk geen al te gedurfde speculatie, want ook al had de prins zich in de voorgaande jaren onmiskenbaar door politiek opportunisme doen kennen, meer dan een politieke nitwit was hij niet, en politieke ambities had hij evenmin. Bovendien was hij pas midden-twintig, dus nog jong genoeg om naar Nederlandse behoeften te worden gefatsoeneerd.

Sefton Delmers boeken - zijn Bernhard-biografie maar ook zijn eigen, tweedelige autobiografie, waarin hij uitvoerig rapporteert over zijn Berlijnse jaren bij de Daily Express - bevestigen geheel en al het gebrek aan politiek genie van zijn vriend de prins, met wie hij in het begin van de jaren dertig al op vertrouwelijke voet raakte. Delmer, die zoals zoveel Britten van zijn klasse niet ongevoelig was voor de charmes van Hitler, beschrijft de Berlijnse jaren van prins Bernhard als een ononderbroken flierefluiterij, waarin alles vertier is wat de klok slaat en politieke noties niet ter sprake komen. Hoezeer prins Bernhard ook het belang van een partijlidmaatschap inzag, hij had kennelijk geen tijd om het lidmaatschap te consumeren. Maar zelfs als hij af en toe een spreekbeurt zou hebben vervuld of ergens met een geheven arm op een partijpodium zou hebben gestaan, was de propagandadienst van de nazi's nooit te beroerd geweest om daar later, vooral op momenten dat het goed uitkwam, gebruik van te maken. Dat is nooit gebeurd. Zo veel als het Britse vorstenhuis en de Britse regering in de jaren dertig in verlegenheid zijn gebracht door de uitbuiting aan nazi-zijde van de nationaal-socialistische sympathieën van de met mevrouw Simpson gehuwde Hertog van Windsor, zo weinig hebben de nazi's de Nederlandse regering met het Duitse verleden van prins Bernhard lastiggevallen. Na diens Ausbürgerung droeg Hitler prins Bernhard alleen maar hoon na. In zijn door Martin Bormann genoteerde Tee-Gespräche, ook wel genoemd Führer-Gesprache (na de oorlog in allerlei edities en vertalingen uitgegeven), noemt Hitler prins Bernhard 'een absoluut imbeciele ezel op de Nederlandse troon'. Bij het afscheidsbezoek dat hij Hitler had gebracht (ter gelegenheid van zijn uitschrijving) had de prins zich, volgens de Führer, als een gigolo in bochten gewrongen. En de grootste belediging had Hitler gevonden dat de prins enkele dagen later in de Nederlandse pers had verklaard zich in zijn hart altijd al een Nederlander te hebben gevoeld. In de Gespräche staat achter die zin een uitroepteken, ten teken van Hitlers minachting.

Het partijlidmaatschap van de prins kan daarom niet al te veel om het lijf hebben gehad.