Wegvluchten voor de spiegel; Twee vroege verhalen van Kenzaburo Oë

Kenzaburo Oë: Seventeen & Homo sexualis. Vertaling en nawoord Luk Van Haute. Uitg. Meulenhoff, 186 blz. Prijs ƒ 39,90

Ook winnaars van de Nobelprijs voor de literatuur zijn ooit jong geweest. Sommige worden voor hun lezers ook niet ouder. Zo is in het Westen de bekendheid van de Japanse auteur Kenzaburo Oë (1935) nog steeds gebaseerd op zijn verhalen en romans uit de eerste vijftien jaar van zijn schrijverschap. Van Oë, die vorig jaar de Nobelprijs won, zijn nu net twee novellen verschenen uit de vroege jaren zestig. De Nederlandse Oë blijft daarmee een bevlogen schrijver van nog geen dertig jaar oud.

Oë heeft vanaf het begin gezegd dat schrijvers een politieke taak hebben. Dat begin was dan ook een tijd waarin de realiteit vooral politiek leek te zijn. In juni 1960 bestormden linkse studenten het parlementsgebouw tijdens protestdemonstraties tegen de herziening van het Japans-Amerikaanse veiligheidsverdrag. Vier maanden later werd voor de ogen van televisiecamera's en duizenden toeschouwers de voorzitter van de Socialistische Partij doodgestoken door een extreem-rechtse jongen van zeventien jaar.

Kort daarna verscheen in het tijdschrift Bungakukai (Literaire Wereld) een novelle van Oë met de titel Seventeen, waarmee deze bundel opent. Het is het verhaal van een onzekere, onbegrepen en intensief masturberende jongen van zeventien, een 'Seventeen', die zich aansluit bij een extreem-rechtse partij. De maand daarop publiceerde Oë in hetzelfde tijdschrift een vervolg waarin de Seventeen de leider van een progressieve partij vermoordt. Iedereen begreep door welke gebeurtenis Oë zich had laten inspireren. Onmiddellijk brak de rel los: schrijver en uitgever van het tijdschrift werden met de dood bedreigd door leden van een extremistische partij die zich dag en nacht voor de deur posteerden met gepantserde auto's en schallende luidsprekers. De uitgever herinnerde zich ongetwijfeld dat eerder extremisten het huis van een collega hadden overvallen waarbij een dode was gevallen. Hij zwichtte in ieder geval en publiceerde een verontschuldiging. Oë heeft dat nooit gedaan.

Vandaag de dag is het misschien niet meer zo belangrijk dat Seventeen eerder een docu-drama is dan fictie, maar de novelle toont wel hoe Oë's preoccupaties met de maatschappelijke rol van een auteur literair resultaat krijgen. Seventeen is niet simpelweg een linkse veroordeling van een rechtse daad. Je mag Oë verwijten dat hij vaak zwaar op de hand is of niet altijd even subtiel, maar hij is nooit tevreden met eenvoudige duidingen. Zijn novelle blijft interessant, omdat zij laat zien wat de verlokkingen van extremisme zijn. Oë maakt heel aannemelijk dat een jongen die dacht dat hij links was in het extreem-rechtse kamp eindigt. De angst voor seks met de ander, het eenzame masturberen en het gelukzalige rollenspel als jeugdlid van de Partij van het Keizerlijke Pad, het is allemaal de vlucht van de spiegel vandaan. Zolang hij maar een ander zijn kan, is de Seventeen gelukkig. Dat klinkt niet bijster origineel, maar toch vindt Oë in Seventeen een knappe balans tussen psychologische beschrijving en politieke aandacht.

De andere novelle die Luk Van Haute voor deze bundel vertaalde is Homo sexualis. Wie wil weten wat engerds in overvolle Tokioose metro's er toe drijft om tegen vrouwen aan te rijden vindt hier het antwoord. Het is Oë's geperverteerden er niet zozeer om te doen vrouwen te vernederen als wel om voor zichzelf te bewijzen dat ze buiten de maatschappij kunnen staan. De Seventeen en de metrorijder met de regenjas vluchten voor hun onmacht de nacht van koude ideeën en kille seksualiteit in.