Vragen om noodlot; Gesprek met acteur Fedja van Huêt over Oedipus

Koning Oedipus in Oedipus/Antigone van Sophokles wordt doorgaans gespeeld door acteurs op het hoogtepunt van hun carrière. Fedja van Huêt studeert in het vierde jaar van de Toneelschool in Maastricht, maar werd desondanks door het RO Theater gevraagd voor juist deze rol. “Ik speel Oedipus als jongen, voor wie de wereld aan zijn voeten ligt.”

Oedipus/Antigone van Sophokles door het RO Theater. RO Theater, William Boothlaan 8, Rotterdam. T/m 17 dec. Inl. 010-4046888.

Oedipus is koning over Thebe, hij is vader van vier kinderen, twee zoons en twee dochters, hij geniet groot aanzien: toch vertolkt bij het RO Theater een erg jonge acteur deze rol. Fedja van Huêt is de 22-jarige titelheld, hij is nog leerling aan de Maastrichtse Toneelschool. Hij wil voor alles spelen en zich niet laten imponeren door de reusachtige hoeveelheid interpretaties en commentaren die over Oedipus zijn geschreven. “Over elk aspect van de tragedie is geschreven,” aldus Van Huêt. “Als ik de vloer op ga vergeet ik dat allemaal, al heb ik de hele zomer over die boeken gebogen gezeten. Ik probeer mijn rol zo persoonlijk mogelijk te houden.”

Op een dag in februari van dit jaar vond hij op de Toneelschool een briefje. Of hij Peter de Baan wilde bellen die hem vroeg met vier monologen uit Oedipus auditie voor deze rol te doen, doorgaans gespeeld door acteurs op het hoogtepunt van hun carrière. De traditie van het Nederlandse toneel wil dat acteurs veertig zijn als ze de held in Hamlet vertolken, minstens vijftig in Oedipus en liefst zestig en veel ouder in Koning Lear. Fedja van Huêt werd door De Baan geëngageerd voor deze rol en meteen na de zomer begon hij met repeteren.

“Pas tegen het einde van de repetitieperiode besefte ik eigenlijk dat Oedipus vier kinderen heeft,” vertelt Fedja van Huêt op een ochtend vlak na de première. “In het begin dacht ik er eerlijk gezegd niet aan, evenmin aan Oedipus als machtige koning. Ik vroeg me telkens af: 'Wat heb ik te vertellen?' Dat ik zo jong ben, hindert me niet. Het geeft me kracht. Ik speel Oedipus als jongen voor wie de wereld aan zijn voeten ligt. Hij wil de hemel bestormen. En hij vindt, zoals dat bij zijn leeftijd past, dat niets hem daarbij in de weg mag staan.

“In het begin was ik veel te ongedurig, te snel. Voor elk probleem moest er meteen een oplossing komen. En ik was natuurlijk beducht voor de première, of het allemaal wel goed zou komen. Maar Peter de Baan overtuigde me ervan dat ik vooral rust moest nemen en naar de andere acteurs moest luisteren. Voorstellingen waarin de ene acteur niet naar de ander luistert, maar waarin ieder zijn eigen programma afdraait, zijn doods. Acteren is luisteren en incasseren. Het moet echt zijn.”

Diepste droom

Ongetwijfeld ligt het aan Fedja van Huêts jeugdige leeftijd dat twee lijnen in De Baans regie sterker de aandacht krijgen dan ik ooit eerder zag bij deze stukken: hij ìs werkelijk een onbesuisde zoon van wie je je kunt voorstellen dat hij zijn vader vermoordt en hij ìs kind en minnaar van Jocaste. De scènes tussen Oedipus en Jocaste, gespeeld door Geert de Jong, zijn van een grote intimiteit en tederheid. Hier speelt een moeder samen met haar zoon, op wie ze verliefd is. Dat ook is de vervulling van haar diepste droom. Tegelijk is ze op een wanhopige manier bezorgd om zijn lot. Want Jocaste weet meer dan Oedipus.

Fedja van Huêt lijkt al acterend voortdurend te verkeren in grote staat van verwondering. Op de grote, lege en zwarte vloer van het RO Theater aan de Rotterdamse William Boothstraat, op een steenworp afstand van de Schouwburg, kijkt hij verbaasd om zich heen terwijl de andere personages als in een wrede carrousel om hem heen draaien. Zijn opengevouwen handen zoeken opvallend vaak ergens steun - maar er is alleen het luchtledige om hem heen. Met zijn ogen zoekt hij houvast - een houvast dat niet bestaat.

Het is ook niet gering wat zich aandient bij Oedipus: de een na de ander komt hem koudweg vertellen dat hij een vadermoordenaar is, een moederminnaar, dat hij de pest over Thebe bracht, dat hijzelf de schande en vloek van de stad is. Ontmaskert hij de aanstichter van al dit kwaad, dan verdoemt hij zichzelf. Uiteindelijk zal hij zich de ogen uitsteken. Zichzelf beroven van het zien, zich hulpeloos maken, het is de uiterste zelfkastijding die hij in zijn radeloosheid kan bedenken.

Oedipus wil weten. Van Huêt: “Dat is het allermooiste van deze rol, en daarin vind ik de noodzaak om haar te spelen: de drang tot waarheid. Het drama in Oedipus speelt zich voortdurend af op twee niveau's. Er is het familiedrama. Iedereen is door gezinsbanden met iedereen verbonden. Oedipus als zoon met Jocaste, als neef met koning Kreon, als vader met Antigone. Enzovoort. Een eindeloze keten. Daarnaast gaat de tragedie over politieke macht en verantwoordelijkheden, over zaken als het besturen van een stad en hoe om te gaan met morrende burgers. Want ze willen verlost worden van de pest. Oedipus moet politiek handelen. Maar eerst wil hij de oorzaak vinden van de vloek die Thebe teistert. Ik tart het noodlot door vragen te stellen. Doodde ik echt mijn vader zoals me is voorspeld? Ik vraag het aan een priester en een voorbijganger, aan de blinde ziener Teiresias, aan Jocaste en Kreon, en ten slotte aan de herder die getuige was van de moord op mijn vader. Zodra deze man het woord 'driesprong' noemt als de plaats waar de misdaad zich afspeelde, begint het besef te komen.

“Het schitterende van Oedipus is dat de acteur in de titelrol minder weet dan de toeschouwers en ook minder dan de andere karakters. Hij loopt achter. Hoe meer hij vraagt, des te gruwelijker zal zijn inzicht zijn. Het vragen stellen is zijn heroïek. Ik probeer hierdoor als acteur de toeschouwers in mijn greep te krijgen, iets bij hen teweeg te brengen zodat ze Oedipus' dilemma's herkennen. Dat is de magie van het acteren.

“Als jongen van negen volgde ik met mijn moeder toneelcursussen in Zuid-Frankrijk. Daar leerde je alles, van acteertechniek en grimeren tot decors ontwerpen en het uitbeelden van een clown. Jaren later deed ik auditie voor de Toneelschool in Amsterdam, en werd afgewezen omdat ik te jong was. Achteraf gezien gelukkig maar, want in Amsterdam leer je veel minder dan in Maastricht het ambacht. Naast het toneelspelen drumde ik; ik had zo naar het conservatorium gekund om slagwerker te worden. Toneel heeft alles met muziek te maken. Ritme, tempo, versnellingen en vertragingen; je kunt de tekst heel glijdend en legato brengen, maar ook staccato, zo tsjàk tsjàk. Mijn eerste filmrol was in Terug naar Oegstgeest (1986) van Jan Wolkers. Ik speelde Peter, de broer van Jan. Geert de Jong was de moeder. Toen al.

“Ja, hoe persoonlijk is een rol? Speel ik de naar zijn vader zoekende Oedipus omdat ik mijn eigen vader nauwelijks heb gekend, pas de laatste vijf jaar? Misschien heeft het ermee te maken. Toch is het beter je daarvan tijdens het acteren niet al te bewust te zijn. Dat is te particulier.”

Gieren

Opvallend aan Oedipus/Antigone zijn de dubbelrollen. Van Huêt speelt eerst de koning. Vervolgens, in Antigone, Haimon, de zoon van Kreon en neef van Oedipus, verloofd met Antigone. Kreon wil Antigone ter dood veroordelen omdat zij tegen zijn wil haar broer Polyneikes waardig wil begraven, hem onder de hemel en de zinderende zon geen voer laten zijn voor gieren. Haimon houdt een lange monoloog tegen Kreon, vol beelden, metaforen en poëzie. Zoals: “Vader, wie denkt dat alleen zijn eigen inzicht juist is, dat zijn eigen wijsheid en verstand uniek zijn, zo iemand blijkt vaak van binnen hol. Je ziet het in de winter aan de bomen die in het zwellende, wild stromende water staan. Een boom die meegeeft, blijft behouden, maar als hij zich star verzet valt hij onherroepelijk ten prooi aan het kolkende water. En wie bij het zeilen weigert de schoot te vieren, het zeil al te strak gespannen houdt, die zit al gauw met de kiel naar boven op een omgeslagen boot.” (vertaling van Guus Baas).

“Met al die woorden,” zegt Van Huêt, “wil Haimon zijn vader niets anders laten weten dan: 'Papa, niet doen, je neemt de verkeerde beslissing. Je moet mijn bruid niet vermoorden.' Toch doet hij het. Haimon kan er niets tegenin brengen. Ik speel Oedipus uit hetzelfde perspectief als Haimon, een jongen dus. In mijn tekstboek van Oedipus staat vaak in de marge: 'Als Haimon'. Die invulling kleurt ook mijn verhouding tot Jocaste. Oedipus kan dan wel groot en machtig zijn, een heerser, hij is tegelijk nietig, iemand die zijn noodlot moet bevechten. Ik herken dat. Ik kan wel groot en zelfverzekerd naar buiten treden en zo'n rol als van Oedipus spelen, als er problemen komen dan voel ik me klein, een zandkorreltje, en dan wil ik niets liever dan mijn hoofd laten rusten in de schoot van mijn vriendin. Zo zoekt mijn Oedipus ook voortdurend steun bij zijn geliefde Jocaste. Wij vormen een hechte eenheid, een koppel. Wij samen tegen de wereld, die hard voor mij is. In het begin probeert Geert me nog te beschutten tegen de vloek die op me rust. Ze neemt mijn hand, leidt me tussen de pilaren door die het decor begrenzen. Op een gegeven moment gaat ze door haar knieën terwijl ik radeloos op de rand van de speelvloer zit en probeert ze me uit te leggen dat er rampspoed komt van al dat vragen, dat poken in wat ongewis is. Totdat zij, eerder dan ik, inziet dat het vergeefs is. Oedipus is verloren. Dan laat ze me los. Ik sta er alleen voor; eenmaal op het spoor van de waarheid gekomen, volhard ik. Achter de coulissen steek ik me de ogen uit. De toeschouwers horen niets dan een kreet. Oedipus takelt zichzelf toe, wil doof en blind zijn, om de stad van haar ondergang te redden. Hij vervloekt zichzelf omdat hij ziende blind was. Het toneel is leeg; Jocaste is op dat moment in geen velden of wegen te bekennen.”