Sociale stelsels in Europa zijn moeilijk vergelijkbaar, maar verschil is beperkt

Sickness and invalidity arrangements, Facts and figures from six European Countries.Door Marcel Einerhand e.a. Uitg. VUGA, Den Haag, prijs ƒ 70,00 ISBN 90 5250 934 4.

Sociale zekerheid: Stelsels en regelingen in enkele Europese landen.Door Marcel Einerhand e.a. VUGA, Den Haag, prijs ƒ 46,00 ISBN 90 5250 900 X.

Unemployment Benefits and Social Assistance in seven European Countries.Werkdocument ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

In Zweden leiden uitkeringsgerechtigden een luxe leventje, in Engeland krijgt een werkloze bijna niks en in Nederland bedreigen de sociale lasten onze concurrentiepositie. Dergelijke al lang bestaande vooroordelen en al te gemakkelijke opinies over de sociale zekerheid worden belangrijker. Politici moeten steeds meer naar de partners binnen de Europese Unie kijken bij het sociaal-economische beleid. De Nederlandse concurrentiepositie kan logischerwijs niet zinvol worden besproken zonder de sociale regelgeving in de andere EU-landen en die van de Europese Unie zelf in ogenschouw te nemen.

Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid publiceerde dit jaar een aantal uitgebreide studies naar de sociale zekerheidsregelingen in de ons omringende landen. Het effect van deze publikaties is nu al merkbaar. Nog steeds vormen de hoogte van het minimumloon en de uitkeringen een politiek twistpunt, maar vergelijkingen met de situatie in andere Europese landen blijven steeds vaker achterwege. Want Nederland loopt, wat de sociale zekerheid betreft, keurig in de pas met de rest van Europa. En dat geldt zeker met betrekking tot Duitsland, onze belangrijkste handelspartner en de krachtigste economie van Europa.

Bijna alle opinies en vooroordelen over de sociale zekerheid zijn terug te voeren op de grote verschillen in uitvoering van sociale doelstellingen. Door een ingewikkeld web van overheidsbijstand, belastingvoordelen en werkloosheidsverzekeringen zijn de verschillende stelsels voor een buitenstaander onmogelijk te vergelijken. Indianenverhalen komen zodoende snel in de wereld. Dat is niet terecht, want wanneer wordt geprobeerd de totaalbedragen uit te rekenen die een werkloze in Europa kan besteden, zijn de verschillen meestal niet overdreven groot.

In Zweden kunnen zich inderdaad extreme situaties voordoen. Als tweeverdieners op bijna hetzelfde moment hun baan verliezen, houden zij in bepaalde gevallen netto meer over dan dat zij verdienden toen ze nog werkten. Tot een veelvoorkomende 'vrijwillige' werkloosheid leidde dit echter nooit omdat de uitkeringsinstanties er lange tijd in slaagden werklozen binnen een paar maanden weer aan het werk te krijgen. Werkweigering was taboe. Een uitkeringstrekker die dat toch deed, riskeerde een andere extreme maatregel, uitsluiting van bijstand.

Inmiddels is het Zweedse systeem aan het afbrokkelen. Net zoals in andere Europese landen staat in de discussies over de toekomst van de sociale zekerheid ook hier vooral de bezuinigingsdoelstelling centraal. De problemen van de verschillende bestudeerde Europese landen lijken sterk op elkaar. Overal heeft een forse scheefgroei plaatsgevonden vanaf het moment dat het, in de jaren zeventig, slechter ging met de economie. In de vergelijkingen valt op dat in bijna elk land bepaalde sociale voorzieningen als uitlaatklep voor sociale spanningen werden gebruikt. Zoals in Nederland het aantal arbeidsongeschikten (WAO) extreem hoog werd, zo maakten in Duitsland te veel mensen gebruik van pensioenvoorzieningen voor hun 65ste levensjaar. De Belgische sociale partners gebruikten een relatief luxe WW-uitkering en de VUT om 'probleemgevallen' te parkeren.

Duitsland is wat dit betreft het enige land waar belangrijke verbeteringen zijn geboekt. De pensioenlasten in het land waren zo hoog, omdat ook arbeidsongeschikten bij dezelfde instanties een uitkering kregen en dit aan te weinig regels gebonden was. Wanneer bijvoorbeeld een huisvrouw van de keukentrap viel en arbeidsongeschikt werd, kon zij aanspraak maken op een pensioenvoorziening omdat ze ooit op haar achttiende een baantje had. Nu deze regeling in het midden van de jaren tachtig is ingedamd, daalt het aantal arbeidsongeschikten. In het vervolg moeten invalide werknemers in de periode voor bijvoorbeeld een ongeluk tenminste drie van de vijf jaar hebben gewerkt.

Naast het hoge aantal arbeidsongeschikten kent Nederland op uitkeringsgebied nog een opvallend verschil met de buurlanden. Een alleenstaande heeft het in ons land aanzienlijk beter dan in de rest van Europa. Ook de Scandinavische landen zijn minder gul voor deze groep. Zodra het echter om een echtpaar met een kind gaat, zijn de verschillen kleiner. Als een gezin twee kinderen telt, is Nederland ineens een van de minst vrijgevige landen. Ook eenoudergezinnen hebben het hier minder goed dan in bijvoorbeeld Duitsland.

De pas verschenen overzichtsstudies van SWZ bieden een goed referentiekader voor de toekomst. Echt revolutionaire ideeën om ons systeem te hervormen komen we over de grens niet tegen. Het basisinkomen wordt nergens gepraktizeerd en komt dan ook niet ter sprake. Wel zijn mogelijk enkele minder ingrijpende ideeën en maatregelen in onze buurlanden geschikt om beperkte aanpassingen door te voeren.

Zo bestaat in Frankrijk een trapsgewijs aflopende uitkering bij werkloosheid. Hierdoor krijgt een werkzoekende voortdurend impulsen om een baan te zoeken en wordt de neiging tot apathie mogelijkerwijs onderdrukt. In andere landen daalt de uitkering meestal snel tot het bijstandsniveau. In Groot-Brittannië is er zelfs helemaal geen overgangsfase: een gemiddeld inkomen daalt direct tot minder dan veertig procent van het eerder verdiende loon.

Uiteindelijk moet een vergelijking tussen de sociale zekerheidsstelsels in Europese landen zelfs de grootste Euro-optimist moedeloos maken. In elk land is een web van regels ontstaan dat voor ingewijden al moeilijk te ontwarren is, laat staan dat ze ooit op elkaar aan kunnen sluiten. Kleine politieke verschillen worden in de vergelijking van systemen uitvergroot en het naast elkaar zetten van de regelgeving laat zien hoe bureaucratische bepalingen, vaak gestoeld op vergelijkbare sociaal-economische idealen, op een bijna organische wijze uit elkaar groeien.