Plan voor één grote elektriciteitsproducent wekt weerstand

De toekomst van de Nederlandse elektriciteitssector is omstreden. Moeten de vier grote stroom-produktiebedrijven fuseren tot een grote onderneming, zoals minister Wijers (Economische zaken) voorstaat? De eigenaren van de produktiebedrijven en de distributiebedrijven zien hun invloed niet graag verminderen. “Rivaliteit heeft ten dele de plaats van concurrentie ingenomen.”

In de Nederlandse elektriciteitssector is opwinding ontstaan over het advies dat vorige maand door een stuurgroep van topmannen uit de sector onder leiding van minister Wijers (economische zaken) is uitgebracht, om de sector ingrijpend te hervormen. Eén van de kernpunten is een fusie van de vier bestaande produktiebedrijven die de grote centrales exploiteren.

Zijn er redenen om de 'E-sector', die relatief goedkoop (de tarieven behoren tot de laagste in West-Europa) en milieuvriendelijk produceert, te reorganiseren?

Ja, zegt de stuurgroep-Wijers, want de sector wordt bedreigd door: - onvoldoende strakke planning, hetgeen heeft geleid tot een overcapaciteit in het opgestelde vermogen van de centrales, oplopend tot 1.800 megawatt in 1999; - onvoldoende hechte samenwerking tussen de bestaande vier stroom-produktiebedrijven, zowel onderling als met de bedrijven die de elektriciteit distribueren; - onvoldoende internationale concurrentiekracht als binnenkort de binnengrenzen in de Europese Unie ook voor energie opengaan; - het gevaar versnipperd te worden als gevolg van vijandelijke overnames vanuit het buitenland.

Bovendien kan de efficiency in de sector, volgens een recente studie van McKinsey, belangrijk worden opgevoerd, waardoor op termijn een besparing van 20 procent ofwel 2 miljard gulden per jaar, is te behalen.

Voor de gemiddelde onderneming of privé-consument van elektriciteit, die slechts geïnteresseerd is in een zo laag mogelijke energierekening, lijkt de toekomst van de E-sector een wat taai onderwerp. Maar het gaat om grote belangen. De totale sector heeft per jaar een omzet van ruim 20 miljard gulden (10 miljard bij de produktietak en 10 miljard bij de distributiebedrijven). Dat is bijna net zoveel als de omzet van bijvoorbeeld het chemieconcern Akzo Nobel. Ook de werkgelegenheidsbelangen zijn groot: in 1994 werkten 22.800 mensen in vaste dienst bij de produktie- en distributiebedrijven, nog afgezien van alle toeleveranciers.

Vorige maand publiceerde de stuurgroep-Wijers een kritisch rapport met een haarscherpe analyse van de sterke en zwakke punten van de E-sector, mede gebaseerd op het McKinsey-rapport. Het meest radicale onderdeel van het advies is om de vier bestaande stroom-produktiebedrijven in Nederland (EPON in het noorden, UNA voor Utrecht, Noord-Holland en Amsterdam, EZH voor Zuid-Holland en EPZ voor het zuiden) te laten fuseren tot één onderneming. Alle betrokken distributiebedrijven zouden door aandeelhouderschap de nieuwe eigenaren van dat grote bedrijf moeten worden.

Wijers c.s. zoeken nu een draagvlak voor dat plan, bij de eigenaren van de vier bestaande produktiebedrijven - de provincies en gemeenten die nog aandeelhouders zijn, en de distributiebedrijven, die de meeste aandelen in bezit hebben. Dat blijkt nog niet mee te vallen. De lokale en regionale politieke gehechtheid aan de stroomsector, die nog vaak als een pure nutssector wordt gezien, is groot. Ook distributiebedrijven die nu bijvoorbeeld voor de helft eigenaar zijn van hun regionaal produktiebedrijf, zien hun invloed niet graag verminderen.

Het overgrote deel van de 41 distributiebedrijven heeft zich eind september achter het plan van de stuurgroep-Wijers geschaard, maar een paar invloedrijke spelers liggen dwars. Tegenstanders van één produktiebedrijf zijn: NUON (verantwoordelijk voor de distributie van energie in Gelderland, Friesland en Flevoland en voor de helft eigenaar van EPON, het noordelijk produktiebedrijf, PNEM en DELTA, de distributeurs in Noord-Brabant en samen voor meer dan de helft eigenaar van EPZ, het produktiebedrijf in het zuiden. Verder heeft de gemeente Amsterdam om andere redenen bezwaar gemaakt tegen het advies van de stuurgroep: het stadsbestuur wil rechtstreeks zeggenschap in de produktiesector behouden, en niet op een getrapte wijze via het distributiebedrijf.

Volgende week komt de stuurgroep-Wijers weer bijeen om zich te beraden op de reacties. Wijers heeft haast, want hij hoopt nog eind deze maand zijn Energienota aan de Tweede Kamer te presenteren, waarin de toekomst van de E-sector een van de hoofdpunten zal zijn. De minister heeft geen machtsmiddel om de sector te dwingen, zegt zijn ministerie. Insiders zeggen dat Economische Zaken het vooral moet hebben van de kracht van argumenten om tegenstanders van de beoogde schaalvergroting en versterking over de streep te trekken. In de gesprekken die Wijers zelf en zijn ambtenaren met vertegenwoordigers van de sector voeren, komen dan ook de voorbeelden van slechte planning in een aantal regio's ter sprake, waardoor de kosten onnodig zijn opgedreven.

“Rivaliteit heeft ten dele de plaats van concurrentie ingenomen”, schreef de stuurgroep in haar rapport. “Soms hebben regionale belangen een te groot gewicht in de schaal gelegd, waar die op andere momenten te veel ondergeschikt werden gemaakt aan het landelijke belang. Het gevolg was overcapaciteit, suboptimalisatie en tegenstellingen binnen de sector.” Ook de vrijmaking van de Europese energiemarkt, die leidt tot meer internationale concurrentie van zeer grote spelers in de markt (bijvoorbeeld de Franse en Duitse energiebedrijven) en de veranderde wensen van industriële afnemers die maatwerk verlangen, wordt in het rapport behandeld. Daarover concluderen Wijers c.s.: “Het gevoel is ontstaan dat de sector in zijn huidige organisatievorm niet geëquipeerd is om deze uitdagingen adequaat en duurzaam het hoofd te bieden.”

Tegenover de 'heilige macht' van de aandeelhouders kan Wijers wel een wapen in stelling brengen: hij is verantwoordelijk voor een goede uitvoering van de Elektriciteitswet van 1989. Die wet wil hij op belangrijke punten aanpassen aan de eisen die de vrijmaking van de Europese energiemarkt gaat stellen, aan de sterkere marktwerking die in de sector nodig is en aan de eisen die een toekomstige, duurzame energievoorziening aan de E-sector stelt.

Als het parlement dat met Wijers eens is, krijgt de minister ook een stevige steun in de rug van de landelijke politiek voor hervorming van de E-sector. Die steun is in het overleg tussen Wijers en de dwarsliggers belangrijk, want als puntje bij paaltje komt, zullen distributiebedrijven die nu mede-eigenaar zijn van produktiebedrijven, toch bereid moeten zijn hun aandelen om te wisselen voor aandelen van het nieuwe landelijke produktiebedrijf.

In het oosten en zuiden des lands is de weerstand daartegen het grootst. Niet bij de grote industriële afnemers van stroom. Die hebben zich achter het plan voor schaalvergroting geschaard, omdat ze er kostenvoordelen in zien, en een veel betere planning van het centrale vermogen. Maar de distributiebedrijven NUON, PNEM en DELTA willen vasthouden aan voordelen die de concurrentie tussen de huidige vier produktiebedrijven zou kunnnen opleveren. Ook een medewerker van de Consumentenbond hamerde onlangs, in een artikel in de Volkskrant, op dat aambeeld.

Op het eerste gezicht lijkt het elimineren van onderlinge concurrentie, in het tijdperk van toenemende aandacht voor marktwerking, een vreemde optie. Het advies van Wijers c.s. om de distributiebedrijven alle aandelen van een nieuw, landelijk produktiebedrijf in handen te geven, doet ook wat hybridisch aan. Want die eigenaren sluiten dan met hun eigen produktiebedrijf contracten voor de aankoop van stroom, maar ze kunnen in de visie van de stuurgroep ook de concurrentie stimuleren door stroom van andere leveranciers, bijvoorbeeld uit het buitenland, af te nemen. Je zou zeggen: daarmee kunnen ze ook de positie van het eigen produktiebedrijf ondergraven. Het antwoord van de stuurgeoep is: het Nederlandse produktiebedrijf wordt daardoor gestimuleerd om zo efficiënt en tegen een zo scherp mogelijke prijs te leveren. Daardoor zal het bedrijf zowel in Nederland als internationaal beter kunnen concurreren.

Bij de redenering van de drie tegenstanders moet wel worden bedacht dat concurrentie in Nederland tussen de vier bedrijven die nu de grote centrales exploiteren, en alle kosten voor brandstoffen en grote investeringen samen delen, slechts marginaal is. Die beperkte concurrentie en regionale congsies met distributiebedrijven op het gebied van nieuwe warmte/kracht centrales, hier en daar samen met de industrie, heeft nu juist tot de suboptimalisatie en de landelijke overcapaciteit geleid, waarvan de stuurgroep-Wijers spreekt.

Het Samenwerkingsverband Industriële Grootafnemers van Energie (SIGE) maakt zich al zorgen over de verdeelheid binnen de E-sector. Voorzitter E. de Wit, energie-expert van Akzo, waarschuwt dat de sector steeds meer te maken krijgt met internationalisering. “Grote Westeuropese stroomproducenten breiden hun activiteiten uit over de landsgrenzen heen via overnames, participaties en samenwerkingscontracten. Die trend wordt versterkt door het beleid van de Europese Commissie, en dat alles leidt onherroepelijk tot grote, sterke elektriciteitsbedrijven met een schaal van minimaal 15.000 tot 30.000 megawatt vermogen.” Daaraan kan geen van de huidige vier bedrijven in Nederland tippen.

De Wit wijst erop dat het nieuwe gefuseerde bedrijf door de sterke opkomst van kleine warmte/ krachtcentrales “niet zo dominant zal zijn als in de E-sector wordt gevreesd. Misschien ten hoogste een marktaandeel van 60 procent in Nederland.” Maar hij bevestigt wel dat de nauwe band tussen distributiebedrijven en het landelijke produktiebedrijf “wel een drempeltje opwerpt tegen het importeren van stroom uit het buitenland”, waardoor de concurrentie zou worden versterkt.

Maar volgens de SIGE-voorzitter zijn de “grote voordelen” van een betere planning van de produktie, die in het nieuwe systeem in feite gestuurd zal worden door de afnemers, belangrijker. “Ook gezien de rol van centrales die voor 'basislast'-vermogen zorgen.” (Kolen- en gascentrales en de kerncentrale Borssele die constant draaien en daardoor de laagste produktiekosten hebben.) “Als de sector de industriële klanten wil behouden, zijn ze met één produktiebedrijf ook beter in staat iets te doen aan de prijs. Bijvoorbeeld aan het nachttarief en een reductie voor bedrijven die er geen bezwaar tegen hebben tijdens piekuren te worden afgeschakeld”, aldus De Wit. “En dat betekent weer behoud van marktaandeel in Nederland. Behalve economische voordelen betekent dat ook een steun in de rug voor het milieu, want je weet zeker dat de produktie in Nederland onder strenge normen valt.”