Overtolligheidsfobie

Raster 71, Angst, De Bezige Bij, 200 blz. ƒ 25. Hollands Maandblad, Veen, 41 blz. ƒ 9,25

Er zijn mensen die goed tegen geënsceneerd grof geweld kunnen - afgehakte hoofden, doorzevingen met mitrailleur, rondvliegende of -dobberende ledematen - maar die flauwvallen bij een sneetje in de vinger. Zo iemand kan dan tóch een reproduktie hebben hangen van Co Westeriks tergende Snijden aan gras. Is dat masochisme? Wordt daarmee de 'lust tot het verschrikkelijke' bevredigd? Of overstijgt kunst hier grenzen? Het beeld is in elk geval aan de werkelijkheid ontleend.

Eng is in de mode, zowel in de kinderliteratuur als in de volwassenenliteratuur, waar vooral in de Angelsaksische hoek de gothic novel een opleving doormaakt. Raster speelt op deze tendens in, niet als eerste maar wel grondig, met een nummer over angst. Het kinderboek kreeg er een opvallende plaats in, net als Co Westeriks Snijden aan gras, met wie kunsthistorica Johanneke van Slooten een uitstekend interview had. Westerik houdt niet zo van theatraal eng, “mijn angst is verfijnder, gevoeliger, pulserender onder de huid.” Hij is een man van thema's als dood, ziekte en eenzaamheid: “mensen die angstig zijn en eenzaam, en veel vlees, dat vind ik zo waanzinnig mooi.” Maar het mag vooral niet decoratief mooi, “althans dat hoop ik, mocht ik daar toch teloor aan gaan dan dien ik geslacht te worden.” Raster publiceert ook een aantal gedichten die Westerik schreef bij eigen, helaas in zwart-wit afgedrukte schilderijen, en redactieleden en enkele andere auteurs reageerden in proza of poëzie op zijn werk, waarmee Raster traditiegetrouw de banden tussen literatuur en beeldende kunst stevig aantrekt. Jacq Vogelaar schreef prozastukjes bij maar liefst negen verschillende werken, waarbij, net als bij een verfilmd boek, steeds weer opvalt hoe een ander net ándere dingen uit een werk naar voren haalt.

'Het is een wonder dat niet alle mensen in constante paniek leven,' merkt Paul Biegel na enig mijmeren over angst op. Hij onderscheidt reële angst, ingeramde angst en, de allerergste, ingebeelde angst. 'Monsters van Frankenstein zijn het, die je niet meer kunt afzetten omdat ze tussen jou en de uit-schakelaar in staan. Ooit heb je zelf de deur van binnen op slot gedraaid en de sleutel uit het raam gegooid. Slechts zelden is er iemand die hem aantreft en weer naar binnen gooit.' De enige remedie tegen bestrijdbare angsten als de reële en ingebeelde is volgens hem spotternij. Hierbij haalt hij exact dezelfde prachtscène uit Asterix en de Noormannen aan die elders sinoloog Maghiel van Crevel gebruikt in een stuk over de poëzie van Duoduo. Op empirisch wetenschappelijke wijze trachten de Noormannen te onderzoeken wat het hun onbekende begrip 'angst' is. De ene begint daartoe de andere met een knots de grond in te slaan. Halverwege vraagt hij belangstellend “ 'Nou? En?' 'Niks', zegt de ander teleurgesteld. 'Sla nog maar 'ns...Ik voel steeds meer pijn, maar angst - nee...' ”. Van Crevel maakt het raadsel angst, dat gelukkig na tweehonderd Raster-pagina's nog volledig intact is, zo mogelijk groter met 'Duoduo's poëzie bevat veel angstwekkends maar weinig angstigs”. De gevluchte Chinees schreef in 1983 het gedicht 'Bang, ik ben bang': 'het oordeel is om bang van te worden/ de vijand/ ik heb geen vijanden. maar nu ben ik/ nog banger. stel dat de nacht/ een enorme sinaasappelschil is/ en het vruchtvlees in mijn mond zit/ dan ben ik bang'.

Een ontdekking is de Amerikaanse dichter Russell Edson. K. Michel vertaalde van hem een paar huiveringwekkende prozagedichten, waarin angst en een keeldichtknijpend soort humor dicht tegen elkaar aanliggen. Stilletjes in 'De herfstval': 'Er was eens een man die twee bladeren vond en het huis binnenliep met de bladeren in zijn uitgestrekte handen en tegen zijn ouders zei dat hij een boom was.// Ga dan op het erf staan, antwoordden zij, groei niet in de woonkamer want je wortels zouden het tapijt kunnen verpesten.// Hij zei het was een grapje ik ben geen boom en hij liet zijn bladeren vallen.// Maar zijn ouders zeiden kijk het is herfst.''

In Hollands Maandblad werkt iemand aan een 'apologie van de amputatie', die echter ongewild steeds weer ontaardt in een medische thriller met dodelijke afloop. Als onderzoeker in een ziekenhuis kan hij weinig begrip opbrengen voor het leed en de angst van de geämputeerden. 'Heb je al veertig jaar zo'n kankerarm met je meegedragen en dan ben je nog niet blij als hij eraf is! Waarschijnlijk is het de drang om allemaal hetzelfde te zijn, die de mensen het verlies van een lichaamsdeel doet betreuren.' Als een trouwe Belcampo- èn Dahl-kloon laat René Hesselink zijn hoofdpersoon vragen om amputatie na amputatie tot alleen een hoofd op een doosje over is, want hij kent geen pijn en geen angst, alleen een overtolligheidsfobie. Innig tevreden slijt hij voortaan zijn onverslijtbaar bestaan.

Met de regel 'Ik ben bang' beëindigt J.A. Blokker zijn weemoedige verhaal Musique!. Gerard van Emmerik laat het einde open van zijn verhaal Een ander mens', over een moderne jonge vrouw die contact zoekt via bureau 'Twogether': 'Dertig, ongecontroleerde eetbuien, zeeën van tijd, zoekt aardige vriend of vriendin, geen seks, gewoon praten/eten.' Die verhalen moeten met z'n drieën dit nummer van Hollands Maandblad dragen, het polemische vuur blijft deze maand op een laag pitje.