Océ draait leveranciers duimschroeven aan

DEN HAAG, 8 DEC. Naast de hoofdingang van Océ-van der Grinten in Venlo staat een enorme tent voor het opslaan van onderdelen, copiers, printers en plotters. Océ heeft van een ander bedrijf ook nog een assemblagehal gehuurd. Terwijl de Industriebond FNV vanuit Amsterdam pleit voor een vierdaagse werkweek wordt bij Océ in Venlo - hoezo ATV? - al maandenlang elke zaterdag overgewerkt. “Wij werken nu zes dagen per week”, zegt de voorzitter van de raad van bestuur Dr. J.V.H. Pennings. “Die flexibiliteit hebben we hard nodig”. De vier nieuwe produkten die Océ afgelopen jaar op de markt bracht slaan zo goed aan dat de produktie met vijftig procent moest worden uitgebreid. Twee van de vier apparaten zijn tot midden volgend jaar uitverkocht. Hogere produktie leidt tot meer banen. Er moeten bij Océ in Venlo 350 produktie-medewerkers worden aangetrokken. “We zoeken er nog 150, die we maar moeilijk kunnen vinden”, zegt Pennings. “Ondanks een arbeidsreserve van 21.000 mensen hier in Noord-Limburg en Oost-Brabant”.

De 450 toeleveranciers in de regio profiteren mee van het succes. Ook zij kunnen de vraag niet aan. En Océ heeft daar flink onder te lijden. Er ontstaan problemen met de levering van onderdelen en de kwaliteit laat vaker te wensen over. Slechts driekwart van de leveringen is compleet. De rest is deellevering op een niet afgesproken tijdstip, wat niet de bedoeling is. Want dat is nu net de kern van de door Océ geïntroduceerde Kennis Intensieve Clustering (KIC): een aantal co-developers in de regio ontwikkelt samen hoogwaardige geïntegreerde sub-assemblies, delen die vervolgens door Océ worden samengevoegd tot hoogwaardige kopieerapparaten, plotters en printers. De toeleveranciers namen het afgelopen jaar ook niet zo nauw met de kwaliteit: 4 procent van de leveranties werd afgekeurd. “Onacceptabel”, oordeelt Pennings.

Océ ondernam actie. De toeleveranciers werden bijeen geroepen in het Auditorium van het hoofdkantoor en kregen voor 1996 een strak schema opgelegd: de leverperformance moet omhoog naar 95 procent complete sub-assemblies, terwijl niet meer dan 1,5 procent van de geleverde halffabrikaten mag worden afgekeurd. Voldoen de toeleveranciers daar niet aan, dan schakelt Pennings het alternatieve scenario in: global sourcing. In plaats van nog langer samen te werken en te ontwikkelen met toeleveranciers in de regio gaat Océ wereldwijd inkopen.

Pennings vindt dat de Nederlandse toeleveranciers begin jaren negentig, toen de economie nog in een dal zat, te weinig hebben geanticipeerd. “Onze toeleveranciers kunnen het internationale geweld kennelijk niet aan”, aldus Pennings. “Hun human resources management deugt niet. Toeleveranciers moeten zich in de regio niet verschuilen achter verhalen hoe moeilijk het is om goede medewerkers te vinden, omdat Océ de arbeidsmarkt afroomt. Wij leiden ook ongeschoolden op tot assemblage-medewerkers. Ik verwacht van toeleveranciers dat ze hetzelfde doen. Dat ze doen wat van een ondernemer wordt verwacht: anticiperen en tijdig investeren. Doen ze dat niet, dan zetten wij onze global sourcing strategie in werking. Met alle consequenties vandien voor de werkgelegenheid hier in Limburg en Oost-Brabant”.

Die consequenties zijn immens. Stel dat de helft van de voor volgend jaar geprognostiseerde 300 miljoen gulden aan leveranties verdwijnt naar het buitenland. Rekenend met een omzet per man van een kwart miljoen gulden (de produktiviteit bij één van de belangrijkste toeleveranciers, de VDL Groep uit Hapert, volgens het jaarverslag over 1994) gaat het om 600 werknemers. Maar VDL Groep heeft een hoge omzet per werknemer. Rekenend met de gemiddelde produktiviteit staan al gauw enkele duizenden banen op de tocht.

Om de toeleveranciers te wijzen op de ernst van de zaak neemt Océ ze mee naar goedkope landen. Zo is de VDL Groep met Océ naar Tsjechië geweest. Pennings: “We willen onze toeleveranciers confronteren met het feit dat we dezelfde kwalitatief hoogwaardige spullen ergens anders goedkoper kunnen krijgen. Van Tsjechië naar Venlo per vrachtwagen is één dag rijden. Take it or leave it, zeg ik dan”.

Pagina 14: Topman wil 'de heidenen bekeren'

De Océ-topman is zojuist teruggekeerd uit Chicago. “Voor global sourcing hoeven we niet per se naar Singapore”, zegt hij. “We zijn ook bezig om in Chicago een inkooporganisatie op te zetten”. Toeleveranciers zijn voor Océ van levensbelang. De fabrikant van kapitaalgoederen heeft zich de afgelopen jaren ontwikkeld van een onderneming die vrijwel alle onderdelen van zijn apparaten in eigen beheer ontwikkelde en vervaardigde, naar een onderneming die de kerntechnologie beheert en beheerst, maar 90 procent van de onderdelen van anderen betrekt. De kostprijs van de door Océ vervaardigde copiers, plotters en printers bestaat voor 85 procent uit de kosten van deze van derden betrokken onderdelen.

Océ heeft zich de afgelopen jaren nog afhankelijker gemaakt van anderen door ook stukken engineering uit te besteden bij co-developers. Océ werkt niet alle onderdelen tot in detail meer uit. Toeleveranciers hebben de afgelopen jaren steeds meer activiteiten overgenomen en leveren nu gecompliceerde multidisciplinaire sub-assemblies aan. De rol van Océ is beperkt tot die van regisseur. “Wij begeleiden de totale systeemintegratie”, zegt Pennings. Logistiek betekent dit dat 30.000 codenummers just-in-time en met grote regelmaat door de toeleveranciers in de assemblagefabrieken moeten worden afgeleverd waar ze tot eindprodukten worden samengevoegd. Zodra die de onderdelen niet meer compleet afleveren, maar in delen, ontstaan er bij Océ vertragingen bij de assemblage. “De praktijk blijkt harder te zijn dan de leer”, zegt Pennings over het samenwerkingsmodel dat begin dit jaar met hooggespannen verwachtingen werd aangekondigd.

De “missionaris van kennissamenwerking” (de typering is van Pennings zelf) begint zijn geduld te verliezen. Hij hoopt de heidenen te bekeren voordat ze hun eigen brandstapel hebben aangestoken. “Op een gegeven moment heb je genoeg gepredikt, dan moet je conclusies trekken”, zegt Pennings. “Of onze leveranciers uit Grubbenvorst of Japan komen maakt voor mij geen verschil. Als de spullen maar goed, niet te duur en op tijd hier zijn”. Het gaat om veel geld. Voor volgend jaar rekent Océ op een half miljard gulden aan geleverde onderdelen, waarvan 54 procent uit Nederland komt, 32 procent uit de rest van Europa en 14 procent uit de wereld buiten Europa. In 1993 werd er 300 miljoen gulden minder ingekocht. De 200 miljoen die toen van leveranciers werd betrokken kwam nog voor 65 procent uit Nederland, terwijl de wereld buiten Europa een magere 8 procent leverde. De trend is duidelijk. “Ik beschouw produktie niet als onze kernbedrijvigheid”, zegt Pennings. “Wij integreren onderdelen in black boxes. Die kunnen in principe overal vandaan komen”.

Een van de toeleveranciers is Topcon uit Japan, een specialist in laseroptiek. Pennings heeft er goede ervaring mee. Het Japanse bedrijf levert “strategische produkten”, onderdelen die duur en lastig te maken zijn. Vijf procent van de onderdelen, goed voor een kwart van de kosten, wordt gerekend tot deze strategische produkten. Topcon doet een belangrijk deel van het ontwikkelings- en engineeringswerk in overleg met Océ. Dat laatste is geen probleem. “Je bent in tien uur in Tokio”, zegt Pennings. “En dan zijn er nog allerlei moderne telecom-verbindingen”. De meeste onderdelen (75 procent) rekent Pennings tot de “routineprodukten”. Het gaat daarbij om boortjes, lipjes, schroefjes, moeren. Goedkoop spul, waarvoor het niet loont om een wereldwijd inkoopnetwerk op te zetten. De routineonderdelen zijn laag geprijsd en slechts verantwoordelijk voor 15 procent van de totale kosten. Dan zijn er nog de “hefboomprodukten”, zoals de complexe printplaten, die Océ mondiaal inkoopt. Hierbij gaat het om 15 procent van de totale onderdelen en 55 procent van de kosten. Tenslotte zijn er nog de “bottleneck produkten” die Océ zelf ontwikkelt, omdat ze technologisch uniek zijn. Het global sourcing belang hiervan is gering: 5 procent van zowel de onderdelen als de kosten.

Hoe meer toegevoegde waarde toeleveranciers leveren hoe hoger de prijs is die zij voor hun produkten kunnen vragen. “Een ontwikkeld land als Nederland moet niet louter op kosten concurreren”, zegt Pennings. “Maar om technologisch vooraan te lopen in de wereld zullen de toeleveranciers zelf ook mondiaal moeten denken. Zij zullen hun eigen toeleveranciers ook onder druk moeten zetten om topprestaties te leveren”.

Océ, dat vorig jaar een omzet had van 2,8 miljard gulden en dat 12.000 personeelsleden heeft, van wie er ruim 3.000 bij de hoofdvestiging in Venlo werken, heeft maar één belang: met succes te kunnen concurreren tegen andere wereldspelers als Kodak, Canon en Xerox. Océ is marktleider in tekenkamerapparatuur. In de kantoormarkt heeft het slechts een handvol concurrenten. Allemaal wereldspelers. “In Europa is Océ nog de enige industriële overlevende van de concurrentieslag op deze beide markten”, zegt Pennings met veel gevoel voor dramatiek. De markt voor het laagvolume kopieerwerk is reeds verloren gegaan. Dat is een puur Japanse aangelegenheid geworden. Als Océ moet kiezen tussen overleven zonder of sterven met Nederlandse toeleveranciers dan is de keuze gauw gemaakt. Global sourcing zal Océ redden, maar veel toeleveranciers de kop kosten.

Behalve betere, snellere en goedkopere leveranties wil Océ dat de toeleveranciers delen in de valutarisico's die Océ als wereldspeler loopt. Pennings: “Voor de apparaten die wij in het buitenland verkopen worden wij voor een deel in boterzachte dollars, ponden, peseta's en lires betaald. Om die apparaten te kunnen maken betrekken wij bij de Nederlandse toeleveranciers per jaar voor 300 miljoen in keiharde guldens”. Océ heeft de toeleveranciers inmiddels voor het blok gezet. Ofwel ze delen via een ingenieus rekensysteem mee in de valutarisico's, ofwel ze zijn toeleverancier-af. “Samen uit, samen thuis”, noemt Pennings dit principe, waarmee 75 toeleveranciers zich inmiddels akkoord hebben verklaard. Honderdvijfendertig toeleveranciers denken er nog over en een tiental is bedankt. Die hoeven dan ook niet meer op orders van Océ te rekenen. “De deal is hard maar fair”, zegt Pennings. “Toeleveranciers profiteren tenslotte ook van ons internationaal succes”.