Mannenmoed hield hem staande

Dit is het mooiste uit de dagboeken van Thomas Mann.

Op 6 juni 1939, zijn 64ste verjaardag, vertrokken hij en zijn vrouw Katia uit Princeton, waar zij woonden, naar Europa. Frankrijk, Nederland, Zwitserland, Zweden. In het voorjaar had hij een zware lezingen-tournee door de Verenigde Staten gemaakt. Op reis ging hij verder met zijn werk: een boek, opstellen, brieven. De Duitsers trokken 1 september Polen binnen en zo begon de Tweede Wereldoorlog. Thomas Mann bevond zich in Saltsjöbaden, in Zweden, en wilde zo snel mogelijk naar huis. Vooral dankzij de inspanningen van zijn dochter Erika konden hij, Katia en Erika zich op 12 september inschepen op de overvolle S.S. Washington.

Zijn nachten bracht hij door in een slaapzaal voor mannen, en in het bed naast het zijne klaagde een oude man dat het wel een concentratiekamp leek. Thomas Mann legde het vast in zijn dagboek, met verachting mag men aannemen. Op 19 september noteerde hij: “Vroeg opgestaan (half zeven) en tien minuten alleen in het bad, een trap lager dan de slaapzaal. Na het ontbijt (koffie en Oat Meal) in dekstoel met potlood gewerkt aan het achtste hoofdstuk, eigenzinnig.”

In zijn tien delen dagboek (van 1918 tot 1921 en van 1933 tot 1955) wordt meeslepend gezanikt en geklaagd. Het weer is zelden naar zijn zin, de hotelkamers zijn zelden comfortabel, het lichaam is zelden zonder pijn en ongemak, de dagen zijn zelden zonder te veel verplichtingen. Mannenmoed houdt hem staande. Hij noteert dat wanneer hij een opdracht heeft vervuld, of onder grote bijval (het wordt steeds vermeld) een rede heeft gehouden. Een kop koffie smaakt hem en bekomt hem meestal niet. Een moeizaam leven.

De aantekening van 16 september laat eindelijk zien wat hem dreef. Hij werkte aan het achtste hoofdstuk. En van welk boek! Van 'Lotte in Weimar', een roman over Goethe. De wereld was in brand gevlogen, de bootreis was een vlucht, hij was bang en gedeprimeerd en schreef over een copieus middagmaal bij Goethe thuis, in 1816.

Het is een prachtig hoofdstuk. De gasten, mensen van onbetwiste kwaliteit, onderschikken zich aan de oude man (hij is 68) en luisteren naar hem, niet naar elkaar. Goethe zet aan het begin van de maaltijd uiteen dat hij wat betreft de wijn ouderwetse opvattingen heeft. De gasten hoeven niet te wachten tot de bedienden hun glas vullen, zij moeten zichzelf naar believen inschenken van de witte Piespotter of de rode Lafitte. Goethe, dat is duidelijk, prefereert deze methode om zelf naar hartelust te kunnen drinken.

Heeft Thomas Mann op het schip aan deze passage gewerkt? Of aan Goethes monoloog over de Chinezen, de landgenoten van Confucius, die gezegd zouden hebben: 'De grote man is een openbaar ongeluk?' Zijn tafelgenoten barsten vanzelfsprekend in lachen uit, om de grote man Goethe te eren en Thomas Mann dacht vanzelfsprekend aan de dictators van 1939. 'Goethe-muziek' noemde Menno ter Braak het boek in een van zijn laatste artikelen, en dat is treffend. Het was toen ook dubbelzinnig-actueel. Thomas Mann was er in 1936 aan begonnen, in Küssnacht, Zwitserland, waar hij woonde, ging ermee verder in Princeton, waarheen hij was verhuisd, en voltooide het in 1939 in Princeton. Een zeer Duits boek, dat de Duitsers niet konden lezen.

Vijftig jaar geleden las ik het voor het eerst. Nu ik het weer open doe, voor de zoveelste keer, voel ik de verrukking van indertijd. Het is volop 1816. Interieurs, kleding worden nauwgezet beschreven. De hoffelijkheid van de 19de-eeuwse conversatie wordt elegant geparodieerd. De anekdote die als uitgangspunt dient is alleraardigst: Charlotte Buff, het lieftallige meisje uit Goethes jeugdroman 'Die Leiden des jungen Werthers', een fenomenaal succes, bezoekt als oud geworden weduwe, moeder van vele kinderen, Weimar. De vurige jongeling is een stijve excellentie geworden. Alleen tijdens dat middagmaal zien ze elkaar. Maar in het stadje wordt zij hoog geëerd, en zij luistert aandachtig naar vele uiteenzettingen.

Een historische roman is het boek enkel in schijn. Het is een poging om Goethe, het genie van de gedaanteverwisseling, in zijn verschillende gedaanten te spiegelen, heel zichtbaar, geheel onkenbaar. En het is zo'n geestig boek. Al de personages, paginalang orerend, worden met satirisch respect geportretteerd.

Wanneer Thomas Mann eigenzinnig had gewerkt verliep de dag zo: 1 uur Vermouth in de overvolle bar. Half 3 lunch, half 9 diner. 'Daarna meestal casino-spel met K.' (zijn vrouw Katia) 'en Eri' (zijn dochter Erika).

Ik heb vaak over Thomas Mann geschreven, altijd in onvrede. Ik slaag er niet in mijn bewondering intens genoeg te laten doordringen in mijn verwondering, verbazing, verbijstering. Ik voel mij een grauwe leerling die jaloers kletst over een stralende meester. Ik had het willen hebben over de laatste, wonderlijke dagboeken, zojuist verschenen. Na dagenlang tobben werd het dit eerbetoon aan hem en aan de creatieve lust die hem ertoe dwong in zo'n situatie te werken aan zo'n boek.