Mannen in moderne pakken

Judith Herzberg leidde in 1976 een workshop poëzie. In Het maken van gedichten en het praten daarover doet ze verslag van die bijeenkomsten. “Biografische bekentenissen zijn niet welkom, want die vertroebelen het zicht op een tekst.” Rubriek over boeken die ten onrechte in de ramsj zijn geraakt.

Judith Herzberg: Het maken van gedichten en het praten daarover. Uitg. BZZTôH, 54 blz. Bij De Slegte voor ƒ 4,95.

Onlangs zag ik Rijgdraad van Judith Herzberg. Van te voren las ik het stuk. In scène 44 vertelt Riet dat ze in de buurt van Zwolle op een groep creatief schrijven over de holocaust zit. In de oorlog heeft ze het joodse meisje Lea bij zich laten onderduiken. Tegenwoordig is ze fabrieksdirectrice. Over die schrijfcursus zegt ze: 'Ja, dat is speciaal ingesteld om herinneringen niet verloren te laten gaan. En het schijnt ook goed voor een mens te zijn om alles er eens uit te laten komen.' Op de vraag wie die lessen geeft, antwoordt ze: 'Ik geloof niet dat het een joods iemand is maar wel zoiets', en even later 'Nou ja je weet wel wat ik bedoel. Meer echt zo iemand uit de Randstad. Een bijzonder iemand.'

Duifje, tweede moeder van het jongetje Nico, wiens eigen moeder vergast is, wil ook al een cursus creatief schrijven volgen. Ze vindt dat ze daarvoor genoeg heeft meegemaakt met Nico. Het is nauwelijks te geloven dat juist die twee vrouwen zulke dingen heel gewoontjes over hun lippen kunnen krijgen. De regie gaf het gesprek een hilarisch en wrang karakter. Pratend over al dit penibels staat iedereen van een beschuit met muisjes te happen. Kort daarvoor is een kind geboren.

Scène 44 bleef me bezighouden. Ik had in de ramsj net dat sympathieke boekje over zo'n schrijfgroep zien liggen, Het maken van gedichten en het praten daarover. Auteur Judith Herzberg. Ik kende het al lang. Een gevallen boek kun je het eigenlijk niet noemen. Het is pas de derde druk van 1989 die wordt opgeruimd. In 1976 leidt Herzberg in Den Haag een workshop poëzie. In het informatiestencil leest ze: 'deelnemers moeten met anderen kunnen en willen werken.' Ze vraagt zich af of ze zichzelf voor zoiets zou inschrijven en denkt van niet. 'Gedichten maak je toch niet 'en masse'. Vooral niet in een 'masse' die je niet eens zelf uitzoekt.' Onzeker gaat ze met haar mensen aan het werk. Haar boekje is een haast zakelijk verslag van wat er in zo'n werkgroep kan gebeuren. Er wordt geduldig of rommelig gediscussieerd over wat gedichten goed of kwaad doet. Biografische bekentenissen zijn niet welkom, want die vertroebelen het zicht op een tekst. Er ontstaan problemen over een gedicht als 'Mijn zoon en ik'. De zoon vraagt:(-) “Maakt God de zon morgen wakker en schijnt hij dan weer voor iedereen?”“Voor iedereen” zeg ik en ik weet dat het eens zo geweest moet zijn.- Vóór Auschwitz -Mag de moeder die laatse twee woorden zomaar in dat gedicht zetten? Het wordt een kwestie. Herzberg noteert: 'Ik weet niet goed wat ik ermee aan moet. Ik probeer haar héél voorzichtig uit te leggen dat ik zulke woorden 'makkelijk' vind, hoe moeilijk de lading ook is die zij dekken.'

Het maken van gedichten en het praten daarover heb ik al vaak weggegeven, vooral vanwege één passage. In de trein naar Den Haag zitten twee 'mannen in moderne pakken' onbekommerd te praten over een vrouw. De cursusleidster zit tegenover ze en komt er maar niet achter wat voor relatie ze met die vrouw hebben. Is het hun moeder, een patiënte? Wat haar opvalt, is 'het nieuwe onpersoonlijkheidsjargon, doorspekt met 'uiteraard', 'zeer zeker', 'ongetwijfeld', 'fundamenteel' en 'structureel'.' Het brengt haar tot verlossende gedachten. 'Hoe vaak twijfel ik niet aan het nut van de werkgroep, vraag ik me af, waar dat zoeken naar het juiste woord, het woord dat het dichtst bij je bedoeling komt, goed voor is. Opeens weet ik dan weer heel zeker dat het wél zin heeft en weet ook waarom de concentratie in die groep me soms zo ontroert; het is een hommage aan de wereld, aan de realiteit, het is een manier om met die realiteit op een persoonlijke voet te komen. Zelfs als de gedichten die geschreven worden niet slagen in die zin, of op anderen niet goed overkomen, dan nòg blijft de poging, 'het bezig zijn met' een onderneming die de moeite waard is. Hoe raken we zo ver mogelijke af van de clichés die ons het uitzicht belemmeren.'

In scène 44 van Rijgdraad veroorzaken de schrijfbevliegingen van twee niet alerte dames de nodigde ongemakkelijkheid bij de toeschouwer. Het creatief schrijven zelf lijkt in dat benauwende gesprek verworden tot iets modieus van het welzijnswerk en de keurige vrijetijdsbesteding. Intussen bestaat - druk kent geen dooi - ook Herzbergs zorgvuldige boekje over haar Haagse werkgroep. Ik vroeg me onwillekeurig af tot welke hommage aan de realiteit een Riet en een Duifje misschien wél in staat waren geweest. Wat zouden ze nog hebben kunnen ontdekken, al zoekende - in proza of poezië - naar woorden die het dichtst bij hun bedoeling kwamen? En dat dan onder de behoedzame leiding van een bijzonder iemand uit de Randstad.