Man speelt vrouw

“Ik wilde graag een vrouw spelen, al heel lang”, zei Joop Admiraal zondag in het televisieprogramma De Plantage. Al heel lang? Ja, misschien wel, De Hoeksteen waarin hij een fraaie sloof neerzette, ging in 1988 in première. Toch dacht ik onmiddellijk: hij doet bijna niet anders dan vrouwenrollen spelen en ook vroeg ik me meer in het algemeen maar weer eens af waar die drang tot travestie vandaan komt. Bij theatermakers dan, want die zetten de pruik om andere redenen op dan de particulier in zijn huiskamer. Op toneel spelen mannen (omgekeerd zie je het veel minder) op grote schaal vrouwen, uit vrije wil en niet meer uit noodzaak, zoals vroeger bij de Grieken. Admiraal doet Phèdre, Cas Enklaar Joan Crawford, Gerard Thoolen een Surinaamse, de vrijwel gehele mannelijke bezetting van Bert Edelenbos' Rouwkost speelt vrouwenrollen en zo zijn er talloze andere voorbeelden. Travestie komt zo vaak voor in het theater dat je het bijna niet meer opmerkt, laat staan dat het opzien baart.

Daarvoor hoeven ze het dus niet te doen, de theatermakers, en om het olijke effect dat revue-artiesten als Snip & Snap vroeger beoogden is het al evenmin begonnen. Dat wordt terecht te gemakkelijk bevonden, door de makers, maar ook door het samen met hen geëvolueerde publiek. Een parelketting om een mannenek hoeft allang niet meer te betekenen dat men humor wil bedrijven. Het kan om serieuze kunst gaan waar op ernstige wijze naar gekeken moet worden.

Kennelijk drukken die wapperende rokken om harige mannenbenen iets uit dat vrouwen die vrouwenrollen spelen niet kunnen uitdrukken, hoe getalenteerd ze ook zijn. Het moet de imitatie zijn, want die maakt het enige verschil uit tussen de mannelijke en de vrouwelijke vertolking van een vrouwenrol. Men wil imiteren, zodanig dat het imiteren zichtbaar blijft. Het moet echt lijken maar niet echt zijn. Net als het acteren zelf. De acteur doet ook alsof hij iemand is die hij niet is en juist daarvoor krijgt hij, als hij het goed doet, applaus. Want dat is móói.

Het idee achter al die travestie is dus dat de acteur die doet alsof hij een actrice is die op haar beurt doet alsof zij een personage is - dat die acteur dubbel zo mooi is. En dat als dat personage bijvoorbeeld tragisch is, zoals de aan de oude grieken ontleende heldin Phaedra, het dubbel zo tragisch wordt. Dat is wat men, bewust of onbewust, aanneemt. De helft van de prestatie is al geleverd door het simpele feit dat de rol door een man gespeeld wordt in plaats van door een vrouw. Een vrouw zou dubbel haar best moeten doen om hetzelfde resultaat te bereiken (als dat dus al mogelijk is) als een man die zich maar half inzet. Nog weer anders gezegd: bij gelijke inzet is een vrouw die een vrouwenrol speelt altijd maar half zo goed als een man.

Zo bezien is het een wonder (of hopeloos achterhaalde typecasting) dat vrouwen überhaupt nog vrouwen spelen en mannen mannen. Draaide men het consequent om, dan zou men, doorredenerend, bovendien met de helft van de repetitietijd toe kunnen en de helft van de kosten kunnen besparen. Maar wat geld kost, geen idee, en daarom gaat het me hier ook niet. Kijkend naar Admiraal realiseerde ik me ineens wat het probleem van zijn solo Phèdre is.

In de voorstelling loopt de tragiek van de titelfiguur parallel aan die van de actrice die haar speelt. Vanwege dat uitgangspunt kijken we naar een hotelkamer, een minibar en een vrouw van middelbare leeftijd die haar rol doorneemt en gaandeweg dronken wordt. Die vrouw wordt gespeeld door een man, Joop Admiraal, en is daardoor dubbel zo tragisch. Moeten de makers gedacht hebben. Verblind door het vertrouwen in de meerwaarde van travestie hebben ze niet gezien wat evident geweest was als, heel gewoontjes, een vrouw Admiraals rol had vervuld. Ze hadden niet zoals nu genoegen genomen met clichés uit het ijzeren man-speelt-vrouw-repertoire en ze hadden het niet in hun hoofd gehaald een voddige pruik, onhandige make-up, harde, mannelijke lijnen in een vermeend vrouwengezicht, drankmisbruik en nicotineverslaving op één lijn te stellen met de onontkoombare noodlotsituatie waarin Racine zijn heldin plaatst. Ze hadden geen karikatuur neergezet naast een van de verfijndste karakters uit de toneelliteratuur.