Karin Arink

Galerie Swart, Van Breestraat 23, Amsterdam. T/m 22 dec. Wo t/m za 15-18u. Prijzen ƒ 450,- tot ƒ 7200,-.

Drie jaar geleden won de beeldhouwster Karin Arink (28) de Prix de Rome met een in zichzelf gekeerde vrouwentors van klei. De laatste tijd werkt Arink vooral in gips en hout, maar haar onderwerp is nog steeds het menselijk lichaam. Bij Riekje Swart exposeert zij nu vier beelden en een handvol pentekeningen. Meteen na binnenkomst staat de bezoeker voor een figuur van molton die vanaf het plafond naar beneden bungelt. Deze Hangende lijkt niet meer dan een afgestroopt vel - maar wel een elegant vel. Met stiknaden zijn de borsten, heupen en liezen van deze slanke gestalte aangegeven. Samen met de roomwitte stof zorgt die verfijnde vorm ervoor dat het gruwelijke thema - zelfmoord? kruisiging? - op de achtergrond raakt.

Ernaast ligt een langgerekte romp met vier poten op de grond uitgestrekt. Het lijkt, mede door de opengelegde ribbenkast, een kadaver gestold in rigor mortis. Maar tegelijkertijd is het een lichaam dat zich strekt en aanbiedt. (Erotische associaties zijn trouwens veel sterker in Arinks inkttekeningen, waarin steeds twee lichamen op niet te ontwarren wijze met elkaar verstrengeld zijn). Die dubbelzinnigheid kenmerkt veel van Arinks werk.

De aangrijpendste sculptuur vind ik Orante van een meter hoog. De houten gestalte lijkt gevild: de spieren en pezen bepalen de structuur van het beeldje. De naaktheid van deze man wordt door het ontbreken van huid nog kaler, bijna ascetisch. Hij heeft zijn armen boven zijn hoofd geheven, alsof hij zich werkelijk van zijn aardse omhulsel ontdoet. Orante is een beeld met een religieuze ondertoon, die herinnert aan de symbolistische sculptuur van Minne en Lehmbruch, maar ook aan gotische Christusbeelden en aan Michelangelo's Stervende slaaf die zijn armen op vergelijkbare wijze als vleugels boven zijn hoofd strekt.

De andere stukken wekken uiteenlopende associaties, bijvoorbeeld met de geschilderde karkassen van Soutine en de slappe textielbeelden van Claes Oldenburg. Misschien zijn die heel verschillende referenties een teken van de tijdloosheid van Arinks werk. Zij maakt sterke, ruimtelijke beelden waar je - net als bij klassieke sculptuur - omheen moet lopen om er enigszins vat op te krijgen: ze zijn vanuit elke hoek weer anders.