Kameel

San Francisco organiseerde een pyjamaparty. Op zaterdagavond ben ik vaak de enige bezoeker en blijkbaar wilden ze daar met hulp van pyjamaparty's wat aan doen. Op de uitnodiging stond: 'Pyjamaparty! Kom zo naakt als je durft. Tweede drankje gratis!'

Toen ik om half elf San Francisco binnenstapte was ik opnieuw de enige. Samia, de danseres uit Brazilië, stond achter de bar. Als het rustig is legt ze haar linkerbeen in haar nek om op die manier het verval dat ons allen boven het hoofd hangt nog wat uit te stellen. Ze droeg geen pyjama.

“Hoe staat het leven?”, vroeg ze en haalde haar been uit haar nek.

“Ik kom voor de pyjamaparty”, zei ik en ging op mijn vaste plaats zitten. Ooit was San Francisco ook een restaurant, maar de keuken is op last van de dienst voor openbare hygiëne van de stad New York gesloten. De keuken bestaat nog steeds, met bestek, pannen, fornuis en al. Maar gekookt wordt er niet meer. Sommige vaste klanten die de intimiteit zoeken kunnen zich laat op de avond in de keuken opsluiten. Het schijnt er alleen te wemelen van de muizen, en een dame in een bontjas beweerde op een avond dat ze er een rat was tegengekomen.

Om half twaalf kwam een dwerg in een wit vest San Francisco binnen. Er was weinig onderzoek voor nodig om te zien dat ze onder dat vest een pyjama droeg. Ze had nog een andere dwerg meegenomen die ook haar pyjama had aangetrokken. Ik had ze hier nog nooit eerder gezien. Het leken me twee zusjes.

“De pyjamaparty kan beginnen”, zei Samia en zette de muziek harder. De twee dwergen dronken piña colada alsof ze geen dwergen waren, maar reuzen.

Na een paar keer ernstig naar me te hebben gekeken ging de ene dwerg naast me zitten en zei: “Waarom draag jij geen pyjama?”

Het was eigenlijk een goeie vraag. “Ik heb er geen”, zei ik en dat was de waarheid.

Ze pakte de uitnodiging en las hardop voor: “Pyjamaparty”.

“Ik weet het”, zei ik, “maar ik ben vaste klant, ik mag ook zonder pyjama naar binnen.”

Om mijn pyjamaloze aanwezigheid te verontschuldigen liet ik nog twee piña colada's voor ze aanrukken. Ik keek naar hun nachthemdjes, maar durfde niet te vragen of ze het niet koud hadden. Uit hun gesprekken begreep ik dat ze een afspraakje hadden met ene Fred. Maar waarom hier en waarom in pyjama vroeg ik me af.

Het zal ongeveer twee uur zijn geweest toen de deur werd opengerukt.

“Eindelijk”, zeiden de dames. De bezoeker was een heer. Niet in pyjama, wel in avondkostuum, maar het vlinderdasje was hij verloren of had hij uitgedaan.

“Wat wil je drinken”, vroeg Samia.

“Dat weet je beter dan ik.”

Hij had de agressieve blik in zijn ogen van iemand die door het leven is beetgenomen en nu tot de conclusie is gekomen dat de wereld uit klootzakken bestaat. Ik vroeg me af of dit Fred was.

“Het is pyjamatijd”, zeiden de dwergen. Hoe meer piña colada ze dronken hoe meer ze begonnen uit te zien als verdwaalde kinderen.

“Dit drankje is van mij”, zei ik. Dit kleine gebaar maakte de heer zonder vlinderdasje al wat minder gespannen en agressief.

“Een Arabier”, zei hij zonder enige aankondiging, “is verliefd op zijn kameel. Hij reist de hele woestijn door, achter zijn kameel aan. Maar steeds als hij de kameel wil nemen rent de kameel weg. Opeens ziet hij een mooie vrouw met autopech langs de weg staan. 'Maak mijn auto', smeekt ze. 'Ik doe alles voor je.' Hij maakt die auto en dan zegt-ie, 'houd nu die kameel voor me vast.' Ik hou van walgelijke moppen. Ik ben Pete.”

Hij haalde een pak visitekaartjes uit zijn jasje en smeet ze op de bar. “Slotenmaker en inbraakbeveiliging. Als je ooit een veilig huis wil, bel Pete, en ik geef je vriendenkorting. Ik ben dag en nacht bereikbaar. Jij ook”, zei hij tegen Samia, “neem mijn kaartje mee, vertel het aan je vrienden en je vriendinnen. Pete, de beste inbraakbeveiliging van New York. Gespecialiseerd in vrouwen alleen, want die hebben het extra nodig.”

Toen bestelde hij een dubbele whisky, fluisterde in mijn oor, “alles wat ik aan heb is gehuurd”, en liep naar de twee dwergen. Hij sloeg zijn armen om ze heen en zei, “jullie zijn mijn kamelekindjes.”

Blijkbaar vonden ze het wel fijn de kamelekindjes van Pete, de inbraakbeveiliger, te zijn, want ze begonnen te giechelen zoals schoolmeisjes dat doen.

Even later dansten ze. Met elk nummer dansten ze iets vuriger en schoven ze dichter naar elkaar toe. Later begon Pete de dwergen op te tillen, daarbij fladderden hun nachthemdjes half open. Op het laatst zweefden ze alleen nog maar door de lucht en Pete kuste om de beurt hun navels.

Samia had weer haar been in haar nek en ik begon te flipperen. Ik merkte nog wel dat de dwergen en Pete in de keuken verdwenen. En ook dat het vijf uur werd en dat ook Samia in de keuken verdween. Ze wilde dat de laatste gasten van de pyjamaparty langzaam naar huis zouden gaan.

Ik was bezig mijn record te verbreken. Toch hoorde ik Samia zeggen, “Oh shit, oh shit, oh shit.” Ze bleef het herhalen alsof het net zo'n oefening was als het in je nek leggen van je linkerbeen. Ik moest denken aan dat bericht in de krant over een dame die altijd met haar teckel in een bed sliep, maar op een nacht de teckel per ongeluk had doodgeknuffeld. Toen ik me omdraaide stond Pete achter me. Hij had een verdwaasde, bijna gelukzalige uitdrukking op zijn gezicht. “Ze kregen ruzie”, zei hij vriendelijk. Daarop pakte hij zijn visitekaartjes van de bar en liet ze in zijn binnenzak glijden.