Het gerei van de goden; Maniëristische gedichten van Christine D'haen

Christine D'haen: Morgane. Uitg. Querido, 54 blz. Prijs ƒ 27,50.

De tekst op het achterplat van Morgane, de nieuwe dichtbundel van Christine D'haen, stelt dat de dichteres 'de zachte, maar inspirerende dwang van de vorm kan combineren met een volmaakte vanzelfsprekendheid en afgerondheid voor de lezer'. Dat is, vind ik, een ongelukkige formulering. Vanuit het perspectief van de maakster zijn de verzen in deze bundel zeker afgerond, maar 'vanzelfsprekend' voor de lezer? De aantekeningen achter in de bundel lijken, acht pagina's lang, het tegendeel te bewijzen: geen regel spreekt in deze poëzie vanzelf.

Morgane richt zich tot erudiete lezers. Christine D'haen speelt leentjebuur in alle uithoeken van de klassieke, renaissancistische en latere westerse cultuur. Ze schroomt ook niet om haar belezenheid door de eeuwen heen in één tekst te verbinden. In het gedicht 'Het beeld' alludeert ze bijvoorbeeld door elkaar op 'de gulden tóómen' van P.C. Hooft, het gouden gerei van de Griekse goden en vorsten, het traktaatje Toomprang van Simon Stevin, en het lemma 'toompje' in de Grote Van Dale.

'Het beeld' is exemplarisch voor D'haens poëtische vormgeving: maniëristisch, archaïsch, retorisch, vol herhalingen, opsommingen, ongewone woordschikkingen en inversies. En dat alles quasi moeiteloos en met dichterlijk vakmanschap. Voor wie Van Dale erbij pakt schuilt er in de tiende regel zelfs een glimlach - maar dat is uitzonderlijk, want doorgaans is de dichteres doodernstig.

Het is die soms loden ernst die me ergert in Morgane, hoezeer ik ook geïntrigeerd ben door de poëtische bekwaamheid van D'haen. Te dikwijls bepaalt een rigide maniërisme in deze bundel de grondtoon. Dan lijkt haar vakbekwaamheid op die van een schrijnwerker die van doorleefd eikehout een degelijk, beschaafd, maar oersaai meubel maakt. Zo bracht D'haens confrontatie met de Florentijnse Pietà van Michelangelo haar tot het volgende 'neuvain' in de reeks 'Psychomachia':

Moeder midden binnen buik kruip ik, Vader tuchtig met zacht manend woord, Broederzoon die in mijn lichaam boort, Dochter vlucht mijn armen in en snik. Verbonden door vermeerderende tijd, Lust die ooit gedroomde liefste bijt, Mens geheelgesmeed uit hemisfeer, Uniek subject van die ultieme leer, Zichzelf geslacht voor de verrezen Heer. Wie na lezing hiervan op bladzij 53 in de aantekeningen kijkt, vindt daar: 'De vraag van dit gedicht is: waartoe bestaat de menselijke 'liefde'?'

Ook bij herlezing vind ik dit neuvain een zwak gedicht. Zoals op veel andere pagina's van Morgane overheerst de taal (of taligheid) hier de verwondering die poëzie kan oproepen. Het is me te 'bedacht', en ik vraag me af of dat niet mede het gevolg is van vormdwang. Christine D'haen heeft zich voor deze bundel ook wel erg rigoureus in het corset geregen: zeven sonnetten (waaronder zes lezingen over lezen), tien dizains (over 'de laatste dingen'), negen neuvains (over negen kunstwerken van Michelangelo), en slechts één betrekkelijk vrij vers.

Met dat laatste gedicht, 'Nocturne', is iets vreemds aan de hand. Ik vind het veruit het mooiste vers in Morgane, maar volgens de aantekeningen is geen woord ervan door Christine D'haen zelf geschreven. Het hele gedicht bestaat uit citaten uit het werk van de Romeinse dichter Propertius, en is dan ook bedoeld als een hommage aan deze voorganger. D'haen maakte het naar het voorbeeld van Ezra Pound, schrijft ze zelf. Maar waar de citatencollages van Pound nauwelijks zonder notenapparaat kunnen worden begrepen, is 'Nocturne' het helderste, minst geleerde en meest levendige vers in Morgane.

Herlezing van haar eerdere bundel Mirages (1989) versterkt de gedachte dat Christine D'haen dichter bij haar lezers komt wanneer ze zich niet door strakke rederijkersvormen laat intomen. Hoezeer beide titels ook elkaars gelijke zijn, de poëzie in Morgane is niet meer dan een afspiegeling van de mirages waarmee D'haen in 1992 de Prijs der Nederlandse Letteren verwierf.