Hagedissen om de lamp; Reizen en herinneringen van Rudy Kousbroek

Rudy Kousbroek: Terug naar Negri Pan Erkoms. Uitg. Meulenhoff, 256 blz. Prijs ƒ 39,90.

Iets dat mij sinds mijn laatste reis vaak voor de geest komt is de speciale sensatie van vuur in de hitte - dat wil zeggen de gloed van vuur terwijl het al heet is, in de gloeiende zon. Het is van alle fysieke ervaringen een van de meest Indische, ongetwijfeld omdat die combinatie in Europa zo zeldzaam is.

Daardoor is het ook iets dat wegzinkt in het bewustzijn, de jaren zijn voorbijgegaan zonder dat ooit meer iets er aan herinnerde; het gevoel zit in je lichaam als een onontplofte bom: als je nooit meer teruggaat gaat het met je mee het graf - of, toepasselijker, het crematorium in, waar het samen met alle andere herinneringen verbrandt.

Maar het loopt anders, je gaat een keer terug. Ook dan kan het lang duren voor je de belevenis weer terugvindt, want als tourist in Indonesië sta je tenslotte niet alle dagen voor een groot vuur. Maar op een keer gebeurt het, en dan komt die bom tenslotte toch tot ontploffing. Waar lijkt het op? Het is of je wakker wordt uit een droom: ja, zo was het. Je voelt die hitte en je herkent het, je ruikt het, en niet alleen een vloed van er aan verbonden herinneringen stromen door je heen, maar je hele jeugd, en dus je hele bestaan.

UIT: RUDY KOUSBROEK, TERUG NAAR NEGRI PAN ERKOMS

Nostalgie, zegt Rudy Kousbroek, is heimwee naar wat nooit meer terug te roepen is. Het kan je tot verterens toe beheersen, maar je hebt er niets aan, het dient nergens toe, het blijft vergeefs. 'Het treurigste gevoel dat ik ken: de weg weten in een huis dat niet meer bestaat.'

Lees die woorden drie keer over, drink de weemoed in, en je begrijpt dat Kousbroek uit ervaring spreekt. Hij groeide op in Indië, een paradijs dat weg is en voorbij en nooit meer terug te roepen, en herinnert zich die tijd als een 'onwerkelijk en onbereikbaar elders', alsof het de herinneringen van een ander zijn en hij ze maar van horen zeggen heeft. Hij weet met andere woorden niet alleen de weg in huizen die niet meer bestaan, het is nog treuriger, hij kan die huizen zelfs in zijn gedachten niet meer binnen. Zelfs zijn nostalgie is niet van hem.

'Vandaar ongetwijfeld de impuls om naar Indonesië te gaan en het decor terug te zoeken: om vast te stellen of ik wel echt ben.' Zo staat het droogjes in zijn nieuwe bundel, Terug naar Negri Pan Erkoms, de weerslag van een tweetal reizen naar zijn 'land van herkomst' Oost-Sumatra - eerst voor deze krant, ruim vijftien jaar geleden, daarna voor een televisiefilm, Het meer der herinnering, vorig jaar. Het is een autobiografische pendant van Het Oostindisch kampsyndroom, zijn kapitale stukkenbundel over de voormalige kolonie, en de slotsom laat je duizelen. Nee, Kousbroek is niet echt.

Zijn eerste aankomst klinkt nog in majeur. Hij gaat de plekken van zijn kinderjaren langs, de plantershuizen van zijn ouders, de internaten waar hij schoolging en de kampen waar hij in de oorlog zat, en voelt zijn lichaam wakker worden. Alles komt weer boven, het klimaat, de geuren, hij is voor het eerst sinds heugenis weer thuis, senang, en overal in zijn geheugen vallen luikjes open. De punaisegaatjes in een deurpaneel waar indertijd een lijstje hing, de hagedissen rond de lamp boven een bar, de negen rijen baksteen in visgraat voor zijn oude school - het is er allemaal nog en het weerzien, stottert hij, is 'onbeschrijflijk'. Zijn verleden is van hem.

In zijn enthousiasme om de lezer geen detail van het mirakel te onthouden, hele plattegronden krijg je uitgemeten, doet hij wel eens denken aan de oom die op een avondje voor de familie veertien sledes dia's door de ruisende projector schuift. Maar je vergeeft het hem volledig als je ziet wat hem gebeurt. Hier spreekt een man die ogenblikkelijk en reddeloos verliefd geworden is op alles wat hij had en was, als kind, en niet meer op kan houden met vertellen. Elke steen moet teruggevonden en benoemd en vergeleken met toen, in het verlangen met de geliefde te versmelten.

Dat geeft het boek de vorm van dubbelbeelden, toen en nu, en Kousbroek gaat geen zee te hoog de twee te laten samenvallen. Staat hij op een oude foto tegen een balustrade, dan neemt hij voor een nieuwe foto op die plek exact dezelfde pose aan, al reikt het hekje tegenwoordig tot zijn heup en leunt hij dus tegen de lucht. Ontwikkelt hij zijn foto's naderhand, dan projecteert hij het negatiefbeeld van een nieuwe opname op de positieve afdruk van een oude, heel precies, zodat de twee elkaar neutraliseren waar ze overeenkomen en enkel het verschil naar voren treedt, 'een grillig en zinloos patroon van lichte en donkere vegen, vergeefs en zonder betekenis'. Hoe minder van die vegen, die 'ravages van de tijd', hoe beter.

Maar juist waar heden en verleden samenvallen en waar niets de versmelting dus nog in de weg lijkt te staan, juist daar gaat het ten slotte mis. Wat nog intact is geeft hem een gevoel 'alsof het een uur voor mijn komst weer op zijn plaats was teruggezet', speciaal 'om te zien hoe ik er op zou reageren'. Ook al is het er, het is er niet voor hem, het is decor voor een toneelstuk dat niet meer gespeeld wordt. 'Het is alsof de dingen je niet meer binnen willen laten, alsof ze zeggen: je bent er nu wel in geslaagd ons terug te vinden, maar haal je maar niets in je hoofd: jij herinnert je ons nog wel maar wij jou niet, je komt er niet meer in.'

De geliefde wijst hem af - of beter, ziet hem helemaal niet staan, leeft in een werkelijkheid voor zichzelf en dwingt hem tot de vraag wat hij daar moet, wat zijn rol in dat decor is. Daar volgen vele antwoorden op, maar in een naschrift weet hij pas de kern te raken. 'Je dwaalt rond zoals een revenant, een dolende geest, die zoekt naar zijn eigen lichaam om er weer in terug te kunnen keren (-). Maar je zult het nooit vinden, je leeft immers nog? (-) Je eigen graf is nog leeg.'

Hier spreekt een man, kortom, van gene zijde.

Dat zou bespottelijke beeldspraak zijn, ware het niet dat hij vervolgens ook een overtuigend beeld schetst van zijn 'dood'. Voor het eerst in zijn schrijverschap, na jarenlange verwijten dat hij de verschrikkingen van de Japanse kampen weigerde te zien, laat hij iets los over zijn eigen internering - op gedempte toon, maar hard genoeg om je de gruwelijke cirkelgang van honger en dysenterie te demonstreren die de kampbevolking langzaam in de greep kreeg. Het terrein werd een domein van de dood, zo niet letterlijk dan wel figuurlijk, en de reis naar Nederland die volgde maakt de metafoor compleet. Het is de tocht over de Styx, al staat dat nergens letterlijk, de aftocht naar het schimmenrijk.

Maar de onmogelijkheid van daaruit terug te keren naar de wereld van zijn jeugd verhindert Kousbroek niet, als ik het goed zie, troost te zoeken in zijn reizen. Peinzend over de romeinse dichter Catullus, die een strofe over de terugkeer naar het graf van een broer beëindigt met de woorden tot nooit meer, gegroet en vaarwel, beaamt hij: 'Er is alleen wat leeg ritueel, dat geen andere betekenis heeft dan het uitdrukken van verdriet in dezelfde vorm als waarin anderen het voor ons hebben gedaan.' En dat lijkt me precies wat ook zijn reizen doen, een oude vorm herhalen in de hoop dat het hem zal verlichten.

Dat brengt me, één stap verder, op een gissing die misschien onzinnig is maar niet meer uit mijn hoofd wil. Terug naar Negri Pan Erkoms leidt een wemeling aan Kousbroek-thema's terug naar de oorsprong in zijn eigen leven - de verhouding tussen beeld en werkelijkheid, de werking van het geheugen, de opgeslotenheid van mensen in hun ik. Zo lijkt het ook zijn hele schrijverschap ten slotte terug te voeren tot een noodzaak in zijn leven. Als essayist is hij een toeschouwer die de vorm van wat hij ziet herhaalt, in taal, verheldert, maar verder ongemoeid laat. Ook als essayist is hij kortom een schim, op zoek misschien wel naar vertroosting en, uiteindelijk, rust.

Zo leest Terug naar Negri Pan Erkoms als een uitkomst van alles wat hij ooit geschreven heeft, een sluitstuk van zijn werk. Eengraf, om zo te zeggen - en zowaar, hij ligt er in.