Een haarlok van de verloofde van Beets; De bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde

De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft sinds de oprichting in 1766 een eigen bibliotheek. De letterkundige collectie groeide uit tot de mooiste van Nederland. Over de vele banden met middeleeuwse handschriften van Zacharias Alewijn, 4000 achttiende-eeuwse toneelstukken en het dodenmasker van Tollens verscheen een prachtig boek.

Dierbaar magazijn. De bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Onder redactie van Berry Dongelmans, Frits van Oostrom en Peter van Zonneveld. Amsterdam University Press. Prijs ƒ 95,-

Wat er met de mooiste leeszaal van Nederland is gebeurd, weet ik niet, maar het feit dat niemand die ik het tot nu toe gevraagd heb het me kan vertellen, zal wel inhouden dat die gesloopt is. Ik bedoel de leeszaal van de Koninklijke Bibliotheek in de Kazernestraat in Den Haag. Met de verhuizing van de boekerij naar de nieuwbouw bij het Centraal Station is de fraaie leeszaal, voor zover ik weet, roemloos verdwenen. Nederland was al niet zo rijk aan van die heerlijke hoge ruimtes waar de boeken grijpklaar in open eikehouten kasten staan.

De ideale leeszaal hoort, wat mij betreft, een historische sfeer uit te stralen. Trappen, boeken, ladders, kasten, tafels, stoelen en verlichting vormen een symbiose met de ruimte. De naslagwerken, encyclopedieën en woordenboeken moeten zich in smakelijke rijen opdringen om de weetgierigheid te bevredigen. Wat er open in de kasten pronkt, hoort een soort voorportaal te zijn van wat er in de magazijnen nog allemaal opgetast ligt. In de leeszaal zelf dienen brede leestafels te staan, liefst met lederen beslag en daar overheen vloeipapier en met een eigen koperen leeslamp, en stoelen met armleuningen.

Eigenlijk ken ik nu nog maar twee ruimtes die een beetje in de richting van de ideale leeszaal komen: die van het Rijksmuseum en die van Artis, die beide echter niet zo heel makkelijk toegankelijk zijn en een specifieke collectie hebben. Natuurlijk moeten er nog meer zijn. Ik ben nog nooit in de bibliotheek van de Delftse universiteit geweest, die ook erg mooi zou zijn. Vroeger had de Amsterdamse Openbare Bibliotheek aan de Keizersgracht enkele prachtige, maar kleine leeszaaltjes.

De oude leeszaal van de Koninklijke Bibliotheek kon echter op zijn beurt niet tippen aan de ronde leeszaal van de British Library in Londen. De raamloze koepel is de mooist denkbare vorm voor een bibliotheek, en de stervormige opstelling van de leestafels maakt alleen al het vertoeven hierin tot een ervaring van hogere sferen. In de jaren tachtig ben ik er zeer regelmatig geweest. Er waren twee ballotagebrieven voor nodig om er binnen te komen, maar wie er eenmaal was, hoorde tot de uitverkorenen. Er was personeel in uniform dat de bestelde boeken naar je eigen studeerplaats kwam brengen. Er heerste geen stilte, maar een weldadig geruis van zachte voetstappen, ritmisch gekras van vooral potloden en geknisper van pagina's die omgeslagen werden.

De eerste keer dat ik van de avondopenstelling gebruik maakte, werd ik om een uur of zeven opgeschrikt door zeer benauwde, uithalende gieren, alsof iemand in doodsnood verkeerde. Het geluid kwam van een bejaarde heer, maar niemand reageerde. Ik snelde naar een personeelslid bij de balie, en die reageerde laconiek: 'Oh, that's mister Holding. At seven o'clock he's always doing so.' Maar ook deze leeszaal dreigt zijn functie kwijt te raken, al zal de koepelzaal behouden blijven om zijn architectonische waarde.

Strengheid

Vreemd genoeg heeft de oudste universiteit van Nederland nooit een mooi bibliotheekgebouw gehad. De oude Leidse bibliotheek aan het Rapenburg onderscheidde zich slechts van andere bibliotheken in de strengheid waarmee regels gehanteerd werden. Al enkele jaren is er nieuwbouw, die van buiten wel aardig oogt, maar van binnen gewoon van die moedeloos makende nieuwbouw is waar niets op aan te merken valt. De leeszaal, die eigenlijk een afspiegeling op microniveau van de collectie in de magazijnen zou moeten zijn, is een sobere werkruimte.

Men kan alleen maar dromen van het gebouw dat de bijzondere collectie van de Leidse Universiteit eigenlijk zou passen. Vooral het feit dat in de academische collectie die van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde opgenomen is, brengt de verbeelding op gang. Wie wil weten hoe uniek de letterkundige collectie is, en hoe toevallig die bij elkaar gekomen is, zou de schitterende uitgave Dierbaar magazijn in handen moeten nemen. Een boek kan ook het voorportaal van een bibliotheek zijn, zeker als het zoveel scherpe en kleurige afbeeldingen bevat als deze bundel opstellen over de bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde.

Dierbaar magazijn geeft een indruk van het boeken- en handschriftenbezit van de Maatschappij. Gelukkig is niet gekozen voor een chronologische opsomming van de verwervingsgeschiedenis. De redactie van het boek heeft een aantal deskundigen aan het woord gelaten over speciale collecties binnen het totaal. Zo krijgt men een soms amusant, soms ontroerend beeld van hoe een imposante verzameling bij elkaar kan komen.

Het eerste begin van de collectie was al gevormd in 1766 bij de oprichting van de Maatschappij. Dat werd aangevuld toen er een woordenboek samengesteld moest worden, waarvoor veel historische bronnen nodig waren. Pas in 1847 werd een bibliothecaris aangesteld tegen een klein traktement. Vanaf 1850 was er ook een eigen leeszaal voor de leden. In 1876 werd er een overeenkomst aangegaan met de Leidse Universiteit. De collectie kwam in bruikleen bij de Universiteit, die op haar beurt het onderdak en het gebruik regelde. Die overeenkomst is er nog steeds, aangevuld met de verplichting tot onderhoud. Veel geld voor nieuwe aanschaf was er niet tot het Rijk in 1959 tot een structurele subsidie besloot.

Daarvóór kon de bibliotheek zich vooral door schenkingen uitbreiden. Een van de oprichters, Zacharias Alewijn, een rijke vrijheer die in de taalkunde liefhebberde, schonk bij zijn overlijden 26 banden met middeleeuwse handschriften en vele incunabelen, met de aanbeveling ze 'niet enkel voor de pronk te houden'. Zo kreeg de Maatschappij al in de achttiende eeuw de kostbare handschriften van Ferguut, Floris ende Blancefloer en Walewein in haar bezit. Een Leidse filantroop schonk anoniem 4000 achttiende-eeuwse toneelstukken. Een Amerikaanse miljonair van Nederlandse komaf zorgde ervoor, dat op de veiling van de boekencollectie van J.A. Alberdingk Thijm royaal aangekocht kon worden. De historicus Robert Fruin had bepaald dat na zijn overlijden de Maatschappij alles uit zijn boekerij mocht halen wat tot aanvulling zou kunnen dienen. Een magnifieke schenking kwam van de negentiende-eeuwse uitgever A.C. Kruseman, die alle manuscripten die hij als kopij binnengekregen had, liet inbinden en deze banden aan de Maatschappij vermaakte.

Dodenmasker

Behalve boeken, manuscripten en brieven bevat de collectie aardige parafernalia als het dodenmasker van Tollens en een haarlok van de verloofde van Beets. Bilderdijks haarlokken zijn afgestaan aan het Bilderdijk Museum, dat in een bedankbrief schreef genoeg haar ontvangen te hebben voor een hele pruik.

Dierbaar magazijn heeft wat de inrichting betreft wel iets van een laat-negentiende-eeuwse openbare bibliotheek, zoals die aan de Amsterdamse Keizersgracht. Op de grote ideale leeszaal lijkt het boek niet, want dan zou het door één persoon geschreven moeten zijn. Er is geen grote centrale ruimte, maar er zijn diverse kleinere en grotere leeszalen, een catalogushal en wat kabinetjes. De kabinetjes omvatten soms maar twee pagina's, zoals het meelijwekkende stuk over het mislukt genie Wijnaendts Francken. Als de catalogushal kan men het overzicht van de verworven collecties achterin het boek beschouwen.

De grotere stukken kan men betreden als verschillende leeskamers. Er is een mooi stuk over de middeleeuwse handschriften en een gedegen beschouwing over de aardrijkskundige collectie, er zijn opstellen over de almanakcollectie, over de onafzienbare taalkundige verzamelingen, over Cats, en naoorlogse tijdschriften. Een prachtig leeszaaltje is ook het stuk over de collectie van illegaal oorlogsdrukwerk van Dirk de Jong, een bescheiden man die bij zijn dood 'een flonkerend juweel met eindeloos veel facetten' aan de Maatschappij vermaakte, bestaand uit ongeveer 800 stukken die hij door 'durf, vasthoudendheid en geloof in het belang van de cultuur' verzameld had.

Een soort expositieruimte komt men binnen met de beschrijving van de imposante collectie boekbanden van rond de eeuwwisseling. Ook het pleidooi voor een nieuwe waardering van gelegenheidsgedichten vormt een aparte vitrine. En zou er een koffiekamer in het gebouw zijn, dan moet men die zoeken in de amusante beschrijvingen van Bilderdijks, Beets en Haverschmidts nalatenschappen, die soms nog de sporen van het gebruik van genotmiddelen vertonen. Dierbaar magazijn biedt weliswaar niet de imposante leeszaal die ik zoek, maar het doolhof van kleine zaaltjes en aparte kamers blijkt toch recht te doen aan de mooiste letterkundige verzameling in Nederland.