Een fantast met kennis van zaken; Leonardo da Vinci, uitvinder, wetenschapper en kunstenaar

Leonardo da Vinci is al vijfhonderd jaar beroemd en lijkt in de ogen van de moderne mens een des te genialer uitvinder omdat wij werkelijk boogbruggen, machinegeweren en auto's kunnen bouwen. Maar als de vlijtig nagebootste modellen van Leonardo's machines iets duidelijk maken, dan is het wel hoe ver we verwijderd zijn geraakt van het wonderlijke avontuur dat de wetenschappelijke waarneming ooit is geweest.

Leonardo da Vinci, uitvinder, wetenschapper, kunstenaar. In de Kunsthal Rotterdam, tot 17 maart.

Als ik een tientje kreeg voor iedere keer dat Leonardo da Vinci als uomo universale de belichaming van het renaissance-ideaal is genoemd, kon ik rentenieren. Tenslotte is hij al een kleine vijfhonderd jaar beroemd als een soort wereldlijk heilige, wiens werk een onuitputtelijke reeks aanknopingspunten biedt om van hem een mythische figuur te maken: de man die eigenhandig de versmelting tot stand bracht tussen de harmonieuze schoonheidsidealen van de Oudheid en de nieuwe proefondervindelijke beschouwing van de natuur.

In de Rotterdamse Kunsthal is tot 17 maart volgend jaar te zien op welke manier Leonardo vandaag de dag bewonderd wordt. De titel van de tentoonstelling luidt voluit: Leonardo da Vinci, uitvinder, wetenschapper en kunstenaar. Het is niet onterecht om die opsomming zeer letterlijk te lezen en als een dalende reeks op te vatten. De nadruk ligt in Rotterdam op Da Vinci's ontwerpen voor boogbruggen, hijskranen, machinegeweren, vliegmachines, schoepenrad-schepen, klokken en gevechtswagens, die hij in zijn notitieboeken maakte. Daarnaast is er een uitgebreide presentatie van Leonardo's anatomische studies, de bekende tekeningen van het ontlede menselijke lichaam. Zoals in allerlei media is bericht zijn de tentoongestelde notitiebladen geen originelen, maar extreem natuurgetrouwe facsimiles. Bijna even zeldzaam als het origineel, trouwens, want er schijnen maar vier of vijf van deze high tech fotokopieën van ieder werk te bestaan. Voor de schilderijen geldt iets vergelijkbaars. Er zijn er twee die worden toegeschreven aan Leonardo en zijn leerlingen, voor de rest zijn het kopieën of werken van leerlingen, navolgers en tijdgenoten. Het pièce de résistance is een door Leonardo gemaakte terra cotta buste van Christus als jonge man.

Is het nu een tegenvaller, al die namaak? Helemaal niet. Het hoort zelfs thuis is deze opzet. De tentoonstelling is immers vooral een populair-wetenschappelijke presentatie van een oude uitvinder. Verreweg de meeste ruimte in de expositie is ingeruimd voor de maquettes en modellen van Leonardo's werktuigbouwkundige fantasieën. De handaangedreven hefschroef, de houten tank, de puntdak-parachute, de met een veer opgewonden automobiel, ze zijn er allemaal, van glanzend gelakt massief hout. Uitnemend en liefdevol timmerwerk. En er is nog meer educatie om ons de oude glorie van Leonardo's genie aanschouwelijk te maken: twee donkere kabinetten, waar in totaal een dozijn IBM-computers staan. Daarop draaien interactieve informatieve programma's (met veel plaatjes en muziek) over de verschilende aspecten van Leonardo's werk en tijd. Men bedient de programma's door met de vinger het scherm aan te raken. Het is kortom een tentoonstelling voor het hele gezin en in deze context is het dan ook heel passend dat we ons behalve aan Leonardo's virtuoze tekeningen meteen kunnen vergapen aan de prestaties van onze eigen virtuoze kopieer-technologie.

Uit die invalshoek hoeven we ons niet te verbazen over de aanwezigheid van een vitrine met een naar Leonardo vernoemd, hypermodern en zeer kostbaar horloge van de firma IWC en een exemplaar van de allereerste Mercedes Benz, op een sokkeltje. Tenslotte is die eerste auto ook een driewieler, die met een een soort roer bestuurd wordt, net als het opwindkarretje dat Leonardo vierhonderd jaar eerder bedacht. En als Leonardo ergens zijn tijd mee vooruit was, althans volgens de bijschriften, dan was het wel met zijn ideeën over tijdmeting en zijn klok-ontwerpen. Nogal wiedes dat daar pal naast een naar hem vernoemd hedendaags gouden luxehorloge is uitgestald. Tenminste zolang het een auto en een horloge van sponsors betreft. Mercedes Benz, IBM en International Watch Company Schaffhausen als de hedendaagse Sforza's en Medici die Leonardo's werk postuum ondersteunen. Het klopt allemaal als een bus, daar in Rotterdam.

Barbaars

Door de tentoonstelling in de Kunsthal ben ik heel anders over Leonardo gaan denken. Het mag barbaars klinken maar tot mijn bezoek aan Rotterdam was Leonardo mij te geniaal. In alles op de eerste rij: vroegrijp, groot en atletisch gebouwd, een opvallende, edele schoonheid, charmant en beminnelijk in de omgang, zachtmoedig van aard, razend muzikaal, een virtuoos op de luit, een schitterende zangstem, altijd uitbundig en elegant gekleed, ijverig en leergierig, een groot tekenaar, een begaafd beeldhouwer en geniale schilder, wiens werkwijze en kunstopvatting tot de drijvende krachten van de renaissance-kunst behoren. Om zijn kunst te vervolmaken pionierde hij met de nauwgezette afbeelding van de menselijke anatomie, studeerde wiskunde, verdiepte zich in de architectuur en bekwaamde zich in de werktuigbouwkunde. Hij ontwierp praalwagens, kanalen, muziekinstrumenten en feestdecoraties en schreef dierenfabels, metafysische beschouwingen en een traktaat over de schilderkunst.

Een alom geliefde, beheerste en deugdzame vegetariër bovendien, die als 67-jarige vredig in zijn bed overleed. Getuige een laat zelfportret zag hij er op het eind ook nog werkelijk uit als God de Vader: een ernstige oude man met lang haar en een golvende witte baard. Het was te veel. Wat mij tegen hem innam was precies de portee van zijn mythische status: hij was, zoals de kunsthistoricus Burckhardt het zei, een alzijdig genie. Zo universeel en volmaakt, dat hij mijn belangstelling verlamde. Vanuit de Verlichting en de triomf van de technologie teruggekeken nam hij de gedaante aan van een seculiere Jezus, die behalve dat hij onovertroffen eeuwige schoonheid had voortgebracht ook nog eens de weg had gewezen die ons het moderne heil in de schoot wierp. Ik vond dat zulke mensen uitgebreid bestudeerd en bewonderd moesten worden, maar dan liever door anderen.

Bij het betreden van de Kunsthal zag ik hoe de moderne mens zichzelf ermee feliciteerde, dat hij erin geslaagd was al die beroemde dromen en fantasieën van Leonardo te verwezenlijken. Het ging er warempel op lijken alsof Leonardo een geniale uitvinder was, omdat wij werkelijk tanks, machinegeweren, helikopters, auto's en boogbruggen kunnen bouwen. Wij, het mierenras van demiurgen, presteren wat hij fantaseerde. Wij hebben verklaard en bewezen wat hij voor het eerst beschreef. Wij hebben Leonardo's genie in zijn ware betekenis geopenbaard door hem gelijk te geven. Zonder ons was hij maar een fantast geweest.

Zo hadden de makers van de tentoonstelling het allemaal niet bedoeld natuurlijk, maar dat was wel de ondertoon van deze presentatie. Dit was geen viering van het gelijk dat de geschiedenis Leonardo gegeven had, maar het tegenovergestelde. De tentoonstelling maakte eerder pijnlijk duidelijk hoe ver wij ons verwijderd hebben van Leonardo en zijn opvattingen over kunst en de aanschouwelijke kennis van de natuur.

Gulden snede

Da Vinci beschouwde kunst, staand op de schouders van het ambacht (kennis van zaken) als een vorm van kennis en de schilderkunst als de hoogste daarvan. Aangezien kunst het kunstmatig zichtbare was, diende zij gebaseerd te zijn op de kunst van het zien. Dat klinkt ons evident in de oren, maar was het in 1480 niet, toen de kunst zich begon te bevrijden van symbolische ideaaltypen en de middeleeuwse traditie. Er was immers een nieuw soort kijken, het analyserende, feitelijke kijken, dat kennis kon opleveren. Ook de kunst moest beginnen met de scherpe, vasthoudende en nauwgezette waarneming. Hoe precieser hoe beter, hoe fijnmaziger en subtieler des te meer waarheid ze opleverde. De waarde van die waarneming kon alleen bestaan in de beschrijving of afbeelding ervan. Daarvoor ontstond in Da Vinci's tijd een heel stelsel van toegepaste meetkundige regels, zoals het perspectief en de gulden snede. Maar Leonardo's blik ging veel verder. Hij vond dat je de oorzaken van natuurverschijnselen en de bouw van lichamen moest begrijpen om ze maximaal te kunnen gebruiken in de schepping van een kunstwerk.

Leonardo was dus geen belangeloos geïnteresseerde geleerde, die een wetenschappelijke theorie over de menselijke anatomie wilde opstellen. Hij was een schilder, die ervan uitging dat het opensnijden van een lijk en het zo natuurgetrouw afbeelden van wat hij zag, begrip opleverde van het menselijk lichaam en dat dat begrip noodzakelijk was om de natuur in het schilderij op een overtuigende manier naar zijn hand te zetten. Dat het hem niet om de anatomische kennis op zichzelf ging, blijkt wel uit zijn traktaat over de schilderkunst. Daarin drukt hij zijn leerlingen op het hart zelf ook secties bij te wonen en te tekenen en zich niet tevreden te stellen met het bekijken en kopiëren van anatomische tekeningen. Begrip bestaat in het omzetten van de waarneming in de tekening. De kennis moest via oog, verstand en hand in het geheugen komen en dat kan niet uit de tweede hand.

Leonardo's veelzijdigheid komt voort uit de nietsontziende toepassing van diezelfde aandacht en bewerking op alles wat hij tegenkwam. Hij was zo iemand die een plank in het water hangt en een hele middag kijkt en tekent hoe het stromende water kolkt, zich welft en schuimt rond het obstakel, simpelweg omdat hij het water en zijn bewegingen niet begrijpt. Als het maximale rendement in termen van begrip gelegen is in een zo groot mogelijke nauwkeurigheid van de waarneming en de zo onbevangen en natuurgetrouw mogelijke afbeelding of notatie ervan, ja, dan is het hek van de dam. Dan is er niets te gering, te vreemd of te gewoon.

Juist het feit dat Leonardo de verworven kennis over de natuur niet als het eindprodukt, maar als een studie, een voorbereiding op het maken van iets beschouwde, leidt ertoe dat hij zich met alles moest bezig houden.

Leonardo stond erom bekend dat hij extreem traag werkte. Wie een portret bij hem bestelde moest er op rekenen dat het jaren ging duren en dat de kans bestond dat het nooit afkwam. De meeste van zijn beroemdste werken zijn onvoltooid en van het Laatste Avondmaal, het beroemde fresco in Milaan, wordt aangenomen dat het al eeuwen in zo'n belabberde en beschadigde staat verkeert vanwege een mislukt experiment van Leonardo om olieverf en tempera te mengen. De reden voor die materiaalkeuze zou zijn geweest dat tempera een snelle en besluitvaardige werkwijze vereist, terwijl olieverf zo langzaam droogt dat veranderingen en verbeteringen lang mogelijk blijven. Je zou bijna gaan denken dat Leonardo zoveel zag en zoveel wist, dat het doel van al dat zien en begrijpen, het vervaardigen en voltooien van schilderijen, bijna onmogelijk was geworden. Hoe isoleer je een kunstwerk, hoe voltooi je iets terwijl de kennende blik niet ophoudt met zoeken, ontdekken, analyseren?

Meesterwerken

Het late zelfportret van de oude Leonardo toont iemand in wiens gezicht ik eenzaamheid en een soort verbittering denk te zien. Misschien wel de teleurstelling in wat de lijfspreuk 'Hostinato Rigore', aanhoudende nauwgezetheid, had opgeleverd. Bergen ongepubliceerde onderzoekingen en studies, kasten vol ontwerpen en onuitgevoerde projecten en een rij van gemankeerde of onvoltooide meesterwerken. In de studie van natuur en techniek komen de oplossingen, invallen en uitvindingen sneller en probleemlozer dan op de ijle hoogte waar gezocht wordt naar het volmaakte kunstwerk, dat in feite een verbetering en overstijging van de natuur is.

In de notitieboeken heerst de sfeer van het uitstel, het voorlopige ontwerp, het wachten en zoeken. Daar levert de aanschouwing kennis en suggereert het begrip een oplossing of vondst. Daar is de pure kracht van zijn denkwijze en open waarneming voelbaar als een kinderlijk plezier. Kijkend en redenerend ontstaan sprookjesachtige tekeningen van kokend water, zwemmers, monsterlijke moordmachines en mechanisch speelgoed. De studies van vogels en de ontwerpen voor vliegmachines zijn zo bekeken eerder weemoedige, dichterlijke terzijdes dan technologische profetieën. Misschien zijn de notitieboeken in de hedendaagse zin van het woord indrukwekkender kunstwerken dan de Mona Lisa en hebben ze maar zijdelings iets uit te staan met de gebroeders Wright of een Boeing 747.

Zo keren we terug naar de Kunsthal en de leerzame tentoonstelling. Als de vlijtig nagebootste modellen van Leonardo's machines iets duidelijk maken, dan is het wel hoe ver we verwijderd zijn van het wonderlijke avontuur dat de wetenschappelijke waarneming als uiting van een kunstenaar ooit is geweest. Tegenwoordig is het zo: mensen kunnen kijken wat ze willen. Camera's, radiotelescopen, deeltjesversnellers en elektronenmicroscopen doen de waarnemingen en begrijpen doen alleen de mensen die die meetinstrumenten kunnen bedienen en de getallenreeksen die ze voortbrengen kunnen interpreteren. De natuurwetenschap heeft de sfeer van de aanschouwing verlaten. Leonardo's intimiteit van kijken, afbeelden en begrijpen die vloeiend overgaan in verbeelden, lijkt onbevattelijk ver weg. De tentoonstelling in de Kunsthal doet ons voorkomen alsof Leonardo da Vinci van ons is, of hij een uitvinder, wetenschapper, kunstenaar was, in die volgorde. Dat is een sprookje. Leonardo was een beetje een tragische uomo universale,die schapendarmen liet opblazen tot ze de kamer vulden, meubels aan de kant drukten en doorzichtig werden, zodat het licht erdoorheen scheen. Zo is het genie ook, zei Leonardo daarbij, en schreef 's avonds op dat hij het zelf was die ooit zou vliegen.