Dick, jongen

Bremen. Het is een graad of tien onder nul. Te koud om een in memoriam uit te spreken. Maar Annette van Trigt is dapper. En misschien heeft ze van de NPS ook thermisch ondergoed meegekregen. Dat scheelt. Ze wil nog een vraag stellen over de wedstrijd of, beter gezegd, een meninkje ten gehore geven.

“Dick, jongen, wat heb je gezwijnd.”

Ik zie Advocaat wankelen. De woorden vallen als ijsschotsen over de coach heen. Hij probeert nog een glimlach, maar ook het trekje om de mond bevriest halverwege. De ogen zijn dan al dood.

Dick, jongen: zo spreek je een succesvolle trainer niet aan. Als het er op de televisie dan toch zo familiair aan toe moet gaan, geef hem verdomme dan een kus. Werder Bremen was tenslotte uitgeschakeld. Dat zinnetje van Annette ging me zo door merg en been omdat ik weet hoe zeer Advocaat aan het verleden heeft geleden. Toen hij nog Dickie was, naast mijnheer Michels. Er zijn ooit journalisten geweest die op de vingers floten als ze de toenmalige assistent-bondscoach iets wilden vragen. Waarom zou Michels wel een mijnheer zijn en Advocaat niet? Omdat de ene castraatangst oproept en de ander een mild mededogen? Dan weet ik wel wie de echte meneer is.

Annette van Trigt, als studiowezen nochtans een meisje voor kaarslicht, bleef maar in studentikoze branie doorschoffelen. Een ijswind later klampte ze Jan Wouters aan: “Ouwe taaie, gefeleciteerd.” Het knokige gezicht van de middenvelder verstrakte. Zijn ogen smeekten: kan het niet iets vriendelijker, iets warmer?

Wouters noch Advocaat droomt zichzelf naar de hoge post van secretaris-generaal van de NAVO. Hun lichaam en hoofd staan niet naar Brussel en niet naar Wassenaar. Het blijven flatbewoners die hun eer in het voetbal hebben gelegd.

Bewust van hun beperkte pretenties. Juist daarom moeten ze met egards worden banaderd. Zeker wanneer ze voor de glorie en het geld van de NPS zich, daar in Bremen, bijna dood laten vriezen.

Het is een idioom geworden: op de Nederlandse sportzenders hoor je steeds vaker cafépraat. De vlotte camaraderie van jongens (en meisjes) die elkaar met de vlakke hand op de schouder kloppen en niet meer willen weten dat enige afstand ook een vorm van journalistieke etiquette is, vervuilt de ether. Joyeuze kletspraat en boertigheid gaan vaak hand in hand. Een Teleac-cursusje zou geen overbodige luxe zijn.

Familiair gekakel is ook een kunst en ik weet niet zeker of Nederlanders daar wel zo goed in zijn. Niet dat Marc Overmans morgen met Edelachtbare moet worden aangesproken, maar je begint een interview met de begenadigde linksbuiten ook niet met: “Hé, sprinkhaan.” De televisie pretendeert er namens het volk te zijn. Dan wil ik dat Bert Jacobs even goed als Happel en Michels met meneer wordt aangesproken. En of je dan aan de Volendamse trainer nog kan zien dat hij is opgegroeid met varkens achter het huis maakt niet uit.

De coach van PSV is voor de camera dus nooit een jongen. En Dickie kan al helemaal niet, tenzij een enkele keer in de kantine.

Dit is geen pleidooi voor drieledig grijs of juffrouwen met een witte strik langs de velden. Ik dank de goden dat oud-minister De Korte nooit trainer van FC Utrecht is geweest. Dan kan je inderdaad beter een hete aardappel interviewen. Maar het incestueuze sfeertje van de televisieverslaggeving gaat soms wel heel ver. Dat gekokketeer met het privilige van de nabijheid is mij te gezinsvriendelijk. Een legendarische gentleman als Bobby Robson spreek je niet aan op een toon van: mot jij ook een kauwgompie. Toch gebeurde het. En van ouwe taaie komt op den duur hondelul; dan zitten we in het jargon van de cabaretier.

Natuurlijk kan ontroering in de sport een familiair karakter hebben. Maar dan op het juiste moment. Ik zie de beelden nog van Hiddink en Romario. Guus was teruggehaald naar Valencia. Voor zijn tweede wedstrijd kwam Barcelona op bezoek. Iedereen stond klaar voor de aftrap. Ineens loopt Romario van de middenstip naar de bank. Met zijn katachtige, sluipende tred legt hij die vijftig meter af.

Romario loopt regelrecht naar Hiddink en geeft hem een kus. Twee seigneurs een atoom lang in elkaars armen. De geste van de Braziliaan was spontaan en gemeend, geen theatraal gebaar, een kus op niveau. Waarom deed hij dat? Omdat Hiddink in de ogen van deze beroepsrebel altijd een meneer is geweest. Dat is hij voor ons ook. Te beginnen met volgende woensdag en al de jaren die nog komen.

    • Hugo Camps