De taal leeft

Wie zijn blik lang genoeg vernauwd houdt, vindt altijd de bewijzen die hij zoekt voor de stelling van zijn voorkeur. Dit is mijn stelling. Degenen die van mening zijn dat het Nederlands ten dode is opgeschreven, opgeslokt zal worden door een postmodern steenkolenengels, hoeven maar met enige regelmaat naar een Nederlandse radio te luisteren, door een Nederlandse winkelstraat te lopen, namen van producten en slagzinnen te noteren om een overweldigend bewijsmateriaal te verzamelen. In Frankrijk is geprobeerd, de uitwassen van het franglais bij de wet te verbieden. Onzinnig voornemen. Evengoed kun je de regen verbieden op aarde te vallen. Maar als dat mislukt betekent het nog niet dat we voor een nieuwe Zondvloed staan.

Er wordt weleens gezegd dat we een voorbeeld moeten nemen aan de Duitsers. Die hebben hun taal zuiver gehouden door bijvoorbeeld van radio Rundfunk te maken en van televisie Fernsehen. Eens zijn die woorden neologismen geweest; nu horen ze tot de 'natuurlijke' woordenschat. Niemand staat er in het inwendige van zijn hersens nog bij stil dat ze als kunstmatige, bewust bedachte constructies zijn begonnen.

In Nederland is, ik vermoed met de opkomst van de zorgsector, een ware industrie van neologismen ontstaan. Als ze levensvatbaar zijn gebleken, wordt dat min of meer bewezen doordat ze in de Grote Van Dale worden opgenomen. En de laatste tijd worden ze in het voorportaal van een misschien duurzamer bestaan door mensen met een blikvernauwing voor neologismen verzameld in kleine woordenboeken. Bij mijn weten is 1992 Frans van Lier ermee begonnen. Bij Thomas Rap is toen zijn Jaartaal, de debuutwoorden verschenen. De nieuwste verzameling, die van 1995, zal worden afgedrukt in het Zaterdags Bijvoegsel van deze krant, op 6 januari. In 1993 is bij De Arbeiderspers voor het eerst het Nieuwlands, de jongste taalaanwinsten van Frank Jansen en Hubert Roza verschenen, onlangs door de tweede aflevering gevolgd.

Voor iemand met een uitzonderlijk geduld zal het een dankbaar karwei zijn die zes verzamelingen te vergelijken, ten eerste om te zien welke woorden in 1993 en 1995 in beide voorkomen, ten tweede om na te gaan welke woorden het in de loop van vier jaar hebben overleefd om daaruit, en ten derde, om een voorlopige conclusie te trekken: op welk gebied van de maatschappij moet een woord aan welke eisen voldoen als het een kans op de Grote Van Dale wil maken. In hun slothoofdstukjes nemen Jansen en Roza een aanloop maar ik zou er meer over willen lezen, met scherper conclusies.

Mij valt het in beide standaardwerkjes van de taalkundige vergankelijkheid op dat zoveel neologismen uit de koker van de copyknutselaar komen: dat is iemand wiens behoefte aan het vertoon van oorspronkelijkheid groter is dan de som van zijn scheppend vermogen en drang tot zelfkritiek. Anders gezegd: bij de aanblik van veel neologismen gaan je tenen krom staan.

Ik noem er een tien zonder te verraden wat ze betekenen: autovuller, briefvirus, culikletser, dakkanker, eindsel, fractiehufter, geefgulden, hopa, inspraaktoerist, knopzorgen. Eigenlijk weet je zo al dat ze dood geboren zijn zodat je geneigd bent je af te vragen waarom ze zijn opgenomen. Maar dat is een vergissing; althans ik had ze niet graag willen missen. Een woordenboek, zeker als het een lexicon van neologismen is, kan ook worden gelezen als een geschiedenisboek. Je leert eruit wat er voor nieuws in de wereld is, en aan de manier waarop het wordt benoemd, ook de stemming waarin het wordt ontvangen.

We kunnen niet voorspellen hoe het Nederlands er over een jaar of vijftig uit zal zien, in wat voor land ons nageslacht zal wonen, welke wetten en moraal daar zullen heersen. Maar als ik in 2045 zo'n woordenboek van neologismen zou lezen, met mijn maatstaven van nu - tot andere strekt mijn verbeeldingskracht niet - zou ik waarschijnlijk tot de slotsom komen dat het daar een jolige boel moet zijn geweest, waar je wel moest oppassen voor de botspartner en de nepnutser, en achter je schaamschot moest blijven, maar waar je ook terecht kon komen in een condoomestafette en kakelkaas kon eten. Al die fenomenen zou je tegen die tijd niet meer hebben.

De firma Calvé, zag ik vanmorgen, heeft zojuist de scharrelmayonaise op de markt gebracht. Het scharrelei waarvan dit neologisme is afgeleid, komt niet eens meer in deze woordenboekjes voor. Scharrelkip heeft het tot de Grote Van Dale gebracht. Iedereen weet nu dat deze kip gelukkiger is dan haar soortgenoot in de legbatterij. De Nederlandse taal leeft.