De Prins hing Philips met Super Club molensteen om

ROTTERDAM, 8 DEC. Maurits de Prins staat bekend als de Belg die Philips met zijn slecht renderende video-verhuurketen een molensteen om de nek hing. Zelf ziet de oprichter van Super Club dat anders. Prins heeft een miljardenclaim ingediend bij Philips, omdat het Eindhovense elektronicaconcern hem zijn geesteskind op slinkse wijze zou hebben ontnomen.

Bijna drie miljard dollar wil De Prins volgend jaar in een Texaanse rechtszaal van Philips eisen. De onderbouwing van deze schadeclaim en de getuigenverklaringen die zijn Amerikaanse advocaten hebben verzameld, werpen een nieuw licht op de ondergang van Super Club die te boek staat als eén van de grootste fianciële missers onder Philips-topman Timmer.

In 1988 betaalde Philips 38,5 miljoen gulden voor een deelneming in de snelgroeiende keten van De Prins. In de voor Super Club winstgevende jaren 1988 en 1989 breidt het Eindhovense concern dit belang langzaam uit tot boven de 10 procent. Begin 1990 verschijnen in de Belgische pers de eerste alarmerende berichten over de schuldenlast van Super Club. Later dat jaar waarschuwen ook accountants voor de zorgwekkende financiële positie van Prins' bedrijf.

Om het vertrouwen van banken en leveranciers terug te winnen besluiten drie aandeelhouders eind 1990 Super Club een financiële injectie te geven van 4,4 miljard Belgische frank (ongeveer 250 miljoen gulden). De Prins en Philips zullen het leeuwedeel van het reddingsplan betalen terwijl ook de participatiemaatschappij Euroventures een bijdrage zal leveren.

Financieel-directeur J. van Weezendonk van Philips België stelt “herhaaldelijk verzekerd” te zijn dat Prins' bijdrage aan dit reddingsplan op tafel zou komen. Hij is verrast als twee maanden later blijkt dat de oprichter van Super Club het geld niet bij elkaar krijgt. Philips ziet zich gedwongen de investering van De Prins over te nemen en verkrijgt een meerderheidsbelang in Super Club. Dit is volgens Van Weezendonk echter 'nooit de bedoeling' geweest.

Tot zover de gangbare lezing van de feiten. De Prins, zijn advocaat Alison Moore en de getuigen die Moore heeft opgetrommeld schetsen een ander verhaal.

“Al in februari 1990 stelde Van Weezendonk aan De Prins voor zijn belang aan Philips te verkopen”, stelt Moore. “De Prins heeft dit geweigerd. Ontevreden met het minderheidsbelang bedacht Philips een plan om met clandestiene praktijken toch aan de macht te komen.”

De berichten in de pers over de zorgelijke financiële situatie bij Super Club zouden in de wereld zijn gebracht om het bedrijf schade toe te brengen. Ook de accountantsonderzoeken zijn volgens De Prins en zijn advocaat door Philips geïnitieerd om Super Club in diskrediet te brengen. “Als gevolg van deze valse beschuldigingen kreeg Super Club voor het eerst te maken met financiële problemen en kredietrestricties”, meent Moore.

Getuigen verklaren dat zij De Prins hebben gewaarschuwd voor de dreigende machtsovername van Philips. “Maurits, vertrouw Philips niet te veel, ze gaan jouw pakken. Ze willen Super Club hebben”, zei toenmalig directeur E. Wauters van de Kredietbank hem al in augustus 1990, nadat Van Weezendonk daarover iets tegenover Wauters had laten doorschemeren. Prins, goed van vertrouwen, zou desondanks een uitbreiding van het Philips-belang tot ongeveer 11 procent hebben toegelaten. Een meerderheidsbelang wees hij nadrukkelijk af. Wel stond hij toe dat Van Weezendonk aantrad als directeur van Super Club.

De Prins' bijdrage (een miljard Belgische frank) aan het reddingsplan dat eind 1990 werd geformuleerd zou zijn mislukt, omdat de Kredietbank weigerde hem daarvoor een lening ter beschikking te stellen. Daarbij zou Philips een doorslaggevende rol hebben gespeeld. Wauters van de Kredietbank verklaart door Van Weezendonk benaderd te zijn met het verzoek de lening te weigeren, hetgeen uiteindelijk ook is gebeurd.

Onder grote druk moest de Prins eind maart 1991 afstand doen van zijn belang in Super Club. “Philips dreigde de toegezegde leningen aan het bedrijf in te trekken en De Prins werd gedwongen voor een Belgische frank afstand te doen van vrijwel al zijn aandelen”, stelt zijn advocaat.

Philips slaagde erin ook de (fel protesterende) minderheidsaandeelhouders uit te kopen voor 220 Belgische frank per aandeel. “Twee jaar daarvoor gingen de aandelen Super Club nog voor 5.000 Belgische frank van de hand”, tekent Moore daarbij aan. Tenslotte werd een 'gekannibaliseerde' Super Club geliquideerd en opnieuw opgestart, dit jaar moet de keten voor het eerst weer winst opleveren. De Amerikaanse tak van het bedrijf werd in 1993 voor ongeveer 150 miljoen gulden verkocht aan de Amerikaanse Blockbuster, het grootste video-verhuurbedrijf ter wereld.

Prins zouden de de schellen definitief van de ogen zijn gevallen toen Super Club Retail Entertainment (SCRE), een Amerikaanse tak van Super Club, hem in 1993 voor de rechter daagde. Door te dreigen met een vordering van 300 miljoen op De Prins zou SCRE ook het laatste pakketje Super Club-aandelen in handen van Philips hebben gespeeld. De Prins begon een proces tegen Philips Electronics in Eindhoven, Philips NV in België en de North Americain Philips Corporation.

De Prins en zijn advocaten willen niet alleen aantonen dat De Prins is “misleid en bedrogen”, maar ook dat de raad van bestuur van Philips in Eindhoven daarvoor verantwoordelijk is geweest. Tal van getuigenverklaringen wijzen erop dat de gang van zaken rond Super Club vanuit Eindhoven door financieel-directeur H. Appelo en Topman Timmer werd geregisseerd. Moore verwacht dat de rechtbank op korte termijn zal besluiten dat een jury in augustus 1996 in Dallas over de zaak mag gaan oordelen.