De managers van koning Arthur; Labyrintische roman van Miquel de Palol

Miquel de Palol: De tuin der zeven schemeringen. Vert. Elly de Vries-Bovée. Uitg. Menken Kasander & Wigman, 1071 blz. Prijs ƒ 75,-

De Catalaanse schrijver Miquel de Palol was vooral bekend als dichter, toen hij in 1989 opzien baarde met een onclassificeerbaar boek. 'Roman' staat kortweg onder de titel van De tuin der zeven schemeringen, dat nu in het Nederlands is vertaald. 'Labyrint' zou even passend geweest zijn, net als 'stijloefening' of 'puzzel'. Het boek telt meer dan duizend bladzijden, een krachtproef voor de schrijver, maar ook voor de lezer.

Op het eerste gezicht heeft het boek de vorm van een raamvertelling die aan Boccaccio's Decamerone doet denken. De middeleeuwse pestplaag die Boccaccio's vertellers bijeenbrengt is bij Palol vervangen door een wereldoorlog in de nabije toekomst, maar het uitgangspunt is gelijk. In een landhuis wacht een klein gezelschap, afgesneden van de rest van de wereld, op betere tijden en om de tijd te doden vertellen zij elkaar verhalen.

Althans, dat lijkt zo. Want langzaam komt Palols hoofdpersoon er achter dat de verhalen niet louter tijdverdrijf zijn. Ze grijpen in elkaar en vormen een netwerk waarin de voorgeschiedenis van de woedende oorlog en de bijeenkomst in het landhuis zichtbaar wordt. Van de conclusies die uit het web van verhalen getrokken worden, hangt zelfs de toekomst van de wereld af.

Dat klinkt nogal zwaar op de hand, maar in werkelijkheid is het verhaal-mozaïek dat de gasten in het landhuis elkaar vertellen eerder een moderne sage dan een diepzinnige parabel. Er is sprake van koningen, prinsessen, helden en een verloren geraakt juweel met toverkracht. Alleen zijn de koningen nu bankiers, de prinsessen de beeldschone meisjes van de cocktailparty's en de helden de doortastende managers uit het topkader. Het juweel lijkt in alle verhalen als enige hardnekkig te blijven wat het was: een sieraad - waarvan niemand weet of het uiteindelijk toch niet een chemische formule of een computerprogramma is.

Palol beschrijft het internationale bankbedrijf alsof het de hofhouding van koning Arthur of de godenwereld rond de Nibelungenring was, en daarmee begint zijn literaire inventiviteit pas goed. Elk van de verhalen die worden verteld vertegenwoordigt een eigen stijl en genre. Er zijn vertellingen in de stijl van Duizend-en-een-nacht, een piratenverhaal, een Ilias-episode (compleet met Homerische vergelijkingen), een verhaal naar markies de Sade, kabbalistische speculaties, fragmenten van Griekse tragedies (met een onvervalste Klytemnestra), ridderromans, sprookjes en spionageverhalen.

Bovendien worden al die vertellingen niet, zoals bij Boccaccio, na elkaar verteld, maar roept het ene verhaal het andere op of sluit het in zich. Naar het voorbeeld van Manuscript gevonden te Zaragoza van Jan Potocki is Palol met één niveau van vertelling niet tevreden. Binnen het ene verhaal wordt vaak weer een tweede verteld; binnen het tweede soms een derde, en zo voort, tot acht niveau's toe. Om de gedesoriënteerde lezer een handreiking te bieden is als aanhangsel een diagram toegevoegd waarin de structuur van het boek is weergegeven.

Echt helpen doet dat niet. In de draaierig makende veelheid van stijlen, lagen en perspectieven raakt zelfs de meest oplettende lezer verloren. En alsof dat nog niet genoeg was, laat Palol sommige van zijn vertellers vals spelen: ze geven hun figuren valse namen of verdraaien de gebeurtenissen, zodat het verhaal van het juweel ten slotte nauwelijks meer te volgen is. De gasten in het landhuis lijken daar minder moeite mee te hebben; alle draden worden door hen ten slotte ontward, maar de lezer die het boek niet met aantekenblok en computer onder handbereik heeft gevolgd, haalt zijn achterstand nooit meer in.

Dat is niet erg. Het verhaal van het juweel is op zichzelf niet bijzonder relevant, hoezeer Palol er ook een quasi-diepzinnig, enigszins naar new age riekend slot aan verbindt. Interessanter is het spel van stijlen en de oogverblindende constructie waarmee De tuin der zeven schemeringen is opgebouwd. Voor het boek als geheel geldt dat de vorm boeiender is dan de inhoud, voor het verhaal dat de delen interessanter zijn dan het geheel.

Daarin schuilt de zwakte van De tuin der zeven schemeringen, dat lang niet alle pretenties waarmaakt. Palol schuwt de filosofische hoogdravendheid niet en die wordt door de Nederlandse vertaling, die dicht bij het Romaanse taaleigen blijft, nog eens versterkt. Vooral in de dialogen tussen de gasten in het landhuis leidt dat tot een aantal bombastische passages die hun diepzinnigheid voornamelijk van hun eigen ondoorgrondelijkheid moeten hebben.

Zo ernstig als Palol zijn boek geschreven heeft moet men het dus maar niet nemen. Ook na het mystieke, maar nogal wazige slot blijft er van het boek minder over dan de schrijver kennelijk heeft beoogd. Maar zolang het duurt - en het duurt met zijn ruim duizend pagina's heel lang - is Palols mozaïek van vertellingen een intrigerend en soms duizelingwekkend avontuur.