De functie, niet de persoon

“Het kabinet is van mening dat de internationale positie van Nederland opnieuw in perspectief moet worden gebracht. Doel van deze herijking is niet alleen de prioriteiten voor het buitenlands beleid in brede zin opnieuw vast te stellen, maar evenzeer om de instrumenten van internationaal beleid in onderlinge samenhang toe te passen; zowel beleidsmatig en organisatorisch als financieel.”

Aldus de regeringsverklaring waarmee het kabinet-Kok vorig jaar voor het voetlicht trad. Deze passage heeft veel misverstanden in het leven geroepen, want vooral uit het begin - Nederlands positie opnieuw in perspectief brengen, de prioriteiten van het buitenlands beleid opnieuw vaststellen - werd, niet onbegrijpelijk overigens, de conclusie getrokken dat het ook ging om het herzien van het buitenlands beleid.

Maar dat bleek niet zo te zijn, en in de Herijkingsnota, die niet minder dan vijf ministers ongeveer een jaar later de Kamer aanboden, was van zulke voornemens niet veel terug te vinden. Gelukkig maar, want als het kabinet-Kok in de sinds 1989 veranderde internationale omstandigheden aanleiding zou hebben gezien het Nederlandse beleid te veranderen - wat op zichzelf niet zo vreemd zou zijn geweest -, zou het zeer onverstandig zijn geweest dit van de daken te roepen.

Die herijking is dus voornamelijk een organisatorische en financiële operatie, en daar is alles voor te zeggen. Er zijn vele ministeries die buitenlands beleid in brede zin voeren. Het land kan er alleen maar baat bij hebben als dit in eenheid geschiedt. Die eenheid was vaak ver te zoeken, zelfs in het eigen huis van Buitenlandse Zaken, dat twee ministers - die van buitenlandse zaken sec en die van ontwikkelingssamenwerking - herbergt.

Het waren dan ook de ministers van buitenlandse zaken, ontwikkelingssamenwerking, economische zaken, defensie en financiën plus de staatssecretaris van economische zaken die maandag de Herijkingsnota voor de vaste commissies voor buitenlandse zaken en voor defensie verdedigden.

Wat gaat er nu precies veranderen? Minister Van Mierlo heeft het maandag duidelijker gezegd dan het in de nota staat: “Er verandert wat de besluitvorming betreft niets in de verantwoordelijkheid van de onderscheiden vakministers. Het enige is dat ze allemaal gedwongen worden in een patroon te werken waarin de facetten (van het buitenlands beleid) meer op elkaar worden afgestemd.”

Voor die afstemming nu - ook wel coördinatie genoemd - is de minister van buitenlandse zaken verantwoordelijk. “Ik heb er”, aldus Van Mierlo maandag, “alleen maar bevoegdheden bijgekregen. Hoewel”, - hier corrigeerde hij zichzelf - “het zijn eigenlijk meer verantwoordelijkheden dan bevoegdheden. Ik heb een verantwoordelijkheid om tot die coördinatie van dat beleid te komen. Ik kan absoluut niet de verantwoordelijkheid uithollen van mijn collega's.”

Daar zit de crux van de zaak: de minister van buitenlandse zaken heeft er geen bevoegdheden, maar verantwoordelijkheden bijgekregen. Verantwoordelijkheid zonder bevoegdheid - dat is wat de coördinator onderscheidt van de beslisser, de knopendoorhakker. Het is een intrinsiek zwakke positie.

Die zwakheid heeft niets met de figuur van de toevallige minister van buitenlandse zaken te maken. Dat kan een sterke, goed georganiseerde man zijn, die op zijn eigen departement de zaakjes goed voor elkaar heeft, maar als coördinator is hij van de welwillendheid van zijn collega's afhankelijk, en die waken meestal - en ook dat heeft op zichzelf niets met de figuur van toevallige bewindsman te maken - angstvallig voor het behoud van hun beleid en stokpaardjes.

Intussen is de minister van buitenlandse zaken ook maar een mens, en Van Mierlo erkent zelf dat “de wereld een maximale of bijna een 'overmaximale' aandacht vraagt van de minister van buitenlandse zaken”. En die krijgt er nu de veel overleg en veel overredingskracht vergende verantwoordelijkheid van coördinator bij. We kunnen daar een zwaar hoofd in hebben zonder de persoon van deze minister van buitenlandse zaken in het geding te brengen. Gevraagd wordt een duizendkunstenaar.

Er is al eens eerder een minister met coördinerende verantwoordelijkheden geweest. Dat was F.H.P. Trip, minister voor wetenschapsbeleid in het kabinet-Den Uyl (1973-1977). Dat was geen gelukkig precedent, en dat lag niet aan de persoon, want Trip was een bekwaam man, die zijn sporen in het bedrijfsleven had verdiend. Het lag aan de functie.

Natuurlijk moeten we hopen dat Van Mierlo er wèl in zal slagen een succesrijk coördinator te zijn, want eenheid van beleid naar buiten toe is een onmisbare voorwaarde voor een succesrijk beleid. Daarover was geen verschil van mening in de Kamer.

Maar de functie van coördinator die nu geschapen is, is niet op een persoon toegesneden. Wanneer op een vraag van het Kamerlid Weisglas om “een meer terughoudende opstelling” van minister Pronk “als het gaat om buitenlandse politiek”, minister Van Mierlo antwoordt dat wat Pronk en hij daarover zeggen “volstrekt in lijn met elkaar” is, dan is dat dan ook een niet helemaal geruststellend antwoord.

Immers, Pronk en Van Mierlo kunnen het toevallig wel helemaal eens met elkaar zijn, maar dat geldt niet noodzakelijkerwijs voor hun opvolgers. Het geldt zelfs niet noodzakelijkerwijs voor henzelf in de overblijvende jaren van dit kabinet. De reorganisatie, die het resultaat is van de herijkingsoperatie, moet de huidige bewindslieden kunnen overleven.