Zeshonderd zwemmende zendertjes

Waar komen zeeforel en zalm Nederland binnen? Is dat bij Hoek van Holland, IJmuiden of via de sluizen in de Afsluitdijk en de Haringvlietdam? Om dat te bepalen krijgen zeshonderd forellen de komende drie jaar een zender ingeplant. De zenders dienen ook om vast te stellen langs welke route ze vervolgens naar Lobith en Eijsden zwemmen. Op elf plaatsen langs de grote rivieren zijn daarvoor detectiestations ingericht. Elke bezenderde forel wordt afzonderlijk geregistreerd.

Voor het jaar 2000 zou de zalm zijn teruggekeerd in de Rijn. Die belofte deed minister Smit-Kroes na de ramp bij het chemische bedrijf Sandoz in Bazel. “Die belofte deed de minister in 1987', vertelt A. bij de Vaate, projectleider ecologisch onderzoek van het RIZA. Bij de Vaate is samen met zijn collega-bioloog A.W. Breukelaar belast met het onderzoek naar de toegankelijkheid van de Nederlandse rivieren voor salmoniden.

Over de route die deze vissen - waartoe zeeforel en zalm worden gerekend - afleggen, bestaat nauwelijks inzicht. Bij de Vaate: “We kunnen wel iets afleiden uit de vangstgegevens van sport- en beroepsvissers, maar een compleet beeld ontbreekt.”

De vissen hebben vijf mogelijkheden om vanuit de Noordzee het zoete water op te zwemmen. Van noord naar zuid zijn dat de uitwateringssluizen in de Afsluitdijk bij Kornwerderzand en Den Oever, de scheepvaartsluizen in het Noordzeekanaal bij IJmuiden, de Nieuwe Waterweg bij Hoek van Holland en de spuisluizen in de Haringvlietdam. De laatste mogelijkheid bestaat maar gedurende een uur per etmaal. Weliswaar wordt er twee keer per 24 uur water op zee geloosd, maar de meeste tijd staat er zoveel stroom dat geen vis er tegenin kan zwemmen.

Bij de Vaate: “Van die vijf mogelijkheden is er dus maar eentje die constant open staat, de Nieuwe Waterweg. Maar misschien nemen vissen die ingang nauwelijks, omdat het water te vuil is of omdat er te veel scheepvaart is. Als dat inderdaad zo is, is een ander beheer van de Haringvlietsluizen misschien de oplossing.”

Bij de keuze van een methode voor het onderzoek, viel de meest gebruikte al snel af. “Vissen merken en daarna afwachten of ze terug worden gemeld, is een dure manier”, aldus Bij de Vaate. “Bovendien moet je maar afwachten of je ooit nog terugziet wat je hebt gemerkt.”

De alternatieven bestaan uit het bezenderen van vissen. “Daarbij kun je kiezen uit radio- en akoestische zendermerken. Maar beide hebben nadelen. Het geluid dat een akoestische zender afgeeft, wordt vaak verstoord door geluiden die schepen veroorzaken. Radio-signalen worden gedempt als het water te zout is en dat is met Rijnwater soms het geval. Om dan toch iets te meten, moet de zender een sterk signaal afgeven, waardoor de batterij snel op is.” De oplossing werd aangedragen door het ecologisch adviesbureau Waardenburg, dat de vinding van het Nederlandse bedrijf Nedap aanraadde. “Dit systeem gaat uit van zenders die het grootste deel van de tijd uitstaan, zodat de batterij lang meegaat. Pas als een vis bij een detectiestation komt, wordt de zender geactiveerd.” Zulke zendermerken worden ook wel transponders genoemd.

De detectiestations bestaan uit een eenvoudig kastje langs de oever en drie kabels op de bodem van de rivier, die als antenne fungeren. De kabels liggen op tien meter afstand van elkaar. Het kastje zendt continu een ondervragingssignaal uit op een golflengte van 32 kHz, dat door de kabel over de volle breedte van de rivier wordt geleid. Bij de Vaate: “Met dat signaal wordt een magnetisch veld opgewekt, dat op zijn beurt de transponder in de vis activeert. Het bijzondere aan dit systeem is dat de vis niet vlak bij de kabels hoeft te zwemmen. Ook als er vijftien meter water in de rivier staat, wordt de transponder geactiveerd.”

Als de transponder in de vis eenmaal is geactiveerd, zendt hij op zijn beurt een radiomerk uit, zodat wordt geregistreerd welk vis er langs is gezwommen. Zwemt de vis over de derde kabel, dan wordt de transponder automatisch uitgezet. Zo kan de zender twee jaar dienst doen. In die periode kunnen maximaal honderd registraties plaatsvinden. Dan is de batterij leeg. Er zijn elf detectiestations ingericht. Breukelaar: “De plaatsen zijn zo gekozen dat we kunnen uitmaken hoe een forel in Lobith is gekomen.” Het systeem maakt het ook mogelijk om obstakels op te sporen. “Stel een forel wordt eerst geregistreerd bij Nieuwegein, even later nog een keer en daarna bij Alblasserdam en Hardinxveld. Dat heeft hij kennelijk de tocht via de Nederrijn opgegeven en het vervolgens via de Waal geprobeerd.”

Voordat het onderzoek begint wordt het systeem uitvoerig getest. “Natuurlijk willen we er zeker van zijn dat de vissen geen nadeel ondervinden van de in de buikholte aangebrachte zender. Het gaat per slot van rekening om een capsule van een centimeter of zeven lengte, een doorsnee van anderhalve centimeter en een gewicht van dertig gram.”

De Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij heeft bij verschillende regenboogforellen zo'n transponder ingeplant. Breukelaar: “De eerste bevindingen wijzen uit dat de groep met zender zich niet anders ontwikkelt dan de groep zonder. En de wond is na zes weken geheeld.”

Het testen van de detectiestations is ook goed verlopen. “Rijkswaterstaat wilde absolute zekerheid dat de kabels stevig op de bodem verankerd zouden blijven. Dat ze niet omhoog gezogen zouden worden als er een krachtig duwstel passeerde”, aldus Bij de Vaate.

Breukelaar verwacht dat volgend jaar zomer alles klaar is. “We denken in september de eerste tweehonderd gemerkte vissen uit te zetten. Die worden op zee gevangen, ter plaatse van een transponder voorzien en weer losgelaten. En dan maar zien waar ze opduiken.”