Turkije kan alleen zèlf kloof tussen islam en EU dichten

Eén van de belangrijkste politieke commentatoren in Turkije, Mehmet Ali Birand, wierp onlangs een interessante vraag op: Wat is de eerste daad van premier Tansu Çiller als het Europese parlement op 13 december instemt met de beslissing van de Europese Commissie om de douane-unie tussen Ankara en Brussel op 1 januari te laten ingaan? Volgens Birand zal ze onmiddellijk op de nationale televisie verschijnen en victorie kraaien. Om vervolgens telefonisch Bill Clinton, Jacques Chirac en andere staatshoofden en regeringsleiders van landen die zich hebben ingespannen voor het vrijhandelsakkoord, te bedanken voor hun steun.

Een dergelijke reactie getuigt van hoffelijkheid, aldus Birand, maar de eerste vrouwelijke premier van Turkije is de meeste dank dan feitelijk verschuldigd aan de religieus-fundamentalistische Welvaartspartij. Want na hun verrassende winst bij de gemeenteraadsverkiezingen vorig jaar maart is de angst voor het oprukkende moslim-fundamentalisme een belangrijk argument voor Europolitici van zowel links als rechts om Turkije via de douane-unie in de Westerse invloedssfeer te houden. Volgens de Turkse commentator is het inmiddels zelfs de belangrijkste reden waarom Straatsburg uiteindelijk zal instemmen met de economische integratie van Turkije in Europa.

Aanvankelijk stelde het Europese parlement zich op het standpunt dat van ratificatie pas sprake kan zijn als de regering in Ankara ingrijpende democratische hervormingen doorvoert. Turkije kan er niet op bogen de afgelopen tijd de mensenrechten beter te hebben nageleefd. De wijziging van het beruchte artikel 8 in de anti-terreurwet is niet voldoende om de vrijheid van meningsuiting te garanderen en de hervorming van de grondwet vergroot weliswaar de deelname van de burgers aan de politiek, maar van een waarlijke decmocratie is daardoor nog geen sprake.

Birand heeft gelijk dat de angst in het Westen voor het feit dat de Welvaartspartij wel eens aan de macht kan komen in Turkije als de douane-unie op de lange baan wordt geschoven, het merendeel van de Europolitici uiteindelijk over de streep zal trekken om hun stem te geven aan het vrijhandelsakkoord. De algemene indruk in Straatsburg is dat de doorgevoerde hervormingen hoopgevend, maar niet voldoende zijn. Desondanks is er een basis gelegd en houdt men het er voorlopig op dat Çiller de democratie verder gestalte geeft als ze na de parlementsverkiezingen op 24 december opnieuw aan de macht komt.

Bovendien heeft men Turkije recentelijk nog gewaarschuwd omdat het zich halsstarrig opstelt in het vraagstuk van de Koerden. Zo werd de Sacharov-prijs (voor de vrijheid van meningsuiting) toegekend aan Leyla Zana, een voormalige Koerdische parlementariër die op beschuldiging van banden met de separatische Koerdische Arbeiders Partij (PKK) veroordeeld is tot een gevangenisstraf van 15 jaar.

Maar het idee dat Turkije als seculier bolwerk verloren gaat, boezemt niet alleen angst in, het is voor de meeste Europolitici ook onaanvaardbaar. Turkije is voor Europa - evenals voor de Verenigde Staten - een belangrijke voorpost in een woelige regio. Het is bovendien het enige land met een vrije-markt-economie. Het zou dan ook catastrofaal zijn als Turkije zich in de groep van landen zou scharen, waarin vrouwen in chadors lopen, mannen lange baarden dragen en de wereldlijke grondwet geleidelijk aan wordt vervangen door het islamitische recht.

Dit 'Algerijnse voorbeeld' is in de afgelopen maanden verschillende keren door Çiller aangehaald om Straatsburg - en met name de socialistische fractie die de meeste moeite met de douane-unie heeft - ervan te doordringen dat de Europese Unie daadwerkelijk voor een “historische keus staat om Turkije in Europa op te nemen”.

Bovendien vervroegde ze de parlementsverkiezingen (naar 24 december), waardoor ze de Europolitici als het ware medeverantwoordelijk maakt voor de verkiezingsuitslag. Opschorting van de beslissing op 13 december over de douane-unie zal “politiek geëxploiteerd worden door de moslim-fundamentalisten”, “die een oriëntatie van Turkije op de islamitische wereld voorstaan”, waarschuwde Çiller vervolgens. Dat heeft, aldus de premier, “niet alleen gevolgen voor de politieke balans in Turkije zelf, maar tevens voor die in de omringende landen, waarvoor het seculiere Turkije immers een rolmodel is”.

Toch is het nog maar de vraag of het Europarlement zich niet wat al te gemakkelijk laat meeslepen door de populistische voorstelling van zaken, dat Turkije een religieus-fundamentalistisch bolwerk wordt als de economische integratie met de Europese Unie wordt opgeschort. Blijkens de gemeenteraadsverkiezingen kan de Welvaartspartij rekenen op circa 20 procent van de stemmen. Niemand weet precies hoe groot hun aanhang nu is, maar verder dan 25 procent zal zij over ruim twee weken beslist niet komen.

In het 'slechtste geval' komt het er dus op neer dat nog steeds tenminste driekwart van het Turkse electoraat seculier is. Ook als dat zou inhouden dat de religieus-fundamentalisten de grootste partij worden, dan is de kans zo goed als nihil dat een andere politieke partij bereid is als coalitiepartner op te treden, terwijl een minderheidsregering van slechts de Welvaartspartij nooit het vertrouwen van het parlement zal krijgen.

Bovendien vindt de politieke islam het Turkse leger in zijn trationele rol van bewaker van het kemalisme, de leer van de Turkse hervormer Atatürk, dan op zijn pad. De militairen zullen niet toestaan dat het seculiere karakter van de Turkse republiek wordt aangetast.

Feit is dat de Welvaartspartij met haar moderne imago van massapartij met religieuze sympathieën en met de leus Adil Duzen (gerechtigheid) een belangrijk deel van het Turkse volk achter zich heeft gekregen. Voor de meer radicale aanhangers van de partij is het een geruststellende gedachte dat met deze slogan de koran wordt bedoeld, terwijl de minder religieus georiënteerden het zien als een manier om te protesteren tegen de wijdverbreide corruptie, het bedrog in politieke en ambtelijke kringen en de chronisch te hoge inflatie die ook nu weer naar de 100 procent kruipt.

De realiteit is dan ook dat de populariteit van de Welvaartspartij niet alleen valt te herleiden tot de islam, maar tevens te maken heeft met het falende beleid van de andere politieke partijen. Voor hen - en in mindere mate voor Straatsburg - ligt er dan ook een taak om de populariteit van de moslim-fundamentalisten in te dammen.

Bovendien is het vooralsnog onduidelijk of het de Welvaartspartij er daadwerkelijk om te doen is Turkije om te vormen tot een islamitische staat, zoals door velen in binnen- en buitenland wordt beweerd. Het lijkt er eerder op dat de partij daar nìet naar streeft, maar dat zij evenmin wil dat Turkije een democratie in de Westerse zin van het woord wordt.

De journalist Rusen Çakir schrijft in zijn boek over de Welvaartspartij dat deze “een herstructurering van het systeem met een islamitische retouche” voorstaat. Die herbezinning op de islamitische identiteit is bovendien een proces dat niet alleen door de Welvaartspartij op gang is gebracht. Ook de militaire machthebbers legden na de staatsgreep in 1980 sterk de nadruk op de Turks-islamitische synthese.

De meer gematigde aanhangers van de politieke islam in Turkije claimen dat ze op dit moment voor de uitdaging staan om te bewijzen dat er wel degelijk een middenweg bestaat tussen de fanatieke islam en de Westerse democratie. Alleen al het feit dat inmiddels ruim dertig procent van de leden van de Welvaartspartij uit vrouwen bestaat, is daarvan een voorbeeld. Dat zij op dit moment geen kandidaat kunnen zijn voor het parlement zegt volgens de Welvaartspartij meer over het on-democratische gehalte van de Turkse samenleving die geen vrouwen met een hoofddoek als afgevaardigden in het parlement duldt, dan over de intenties van de partij.

Twijfel bestaat er vooralsnog over de vraag of de Welvaartspartij haar machtige imago behoudt als zij in staat is haar machtsbasis te verbreden, of dat dan de leer van de Turkse hervormer Atatürk resoluuut zal worden vervangen door die van de islamitische rechtsgeleerden. Feit is dat dit laatste schrikbeeld niet slechts kan worden voorkomen door Turkije via de douane-unie in Europa op te nemen. De Turken zullen in eerste instantie zèlf een antwoord moeten geven op de vraag hoe zij de kloof wensen te dichten die er nog steeds bestaat tussen hun grotendeels aan de islam ontleende identiteit en hun al uit de vorige eeuw stammende aspiraties om uit te groeien tot een pluriforme Westerse democratie.