Trekvissen krijgen eigen doorgang in de grote rivieren; Ze nemen de trap wel

Trekvissen worden door stuwen ernstig in hun bewegingsvrijheid belemmerd. Vooral de zeeforel en zijn grotere broer de rivierzalm zijn daarvan de dupe. Deze zogeheten anadrome vissoorten kunnen niet meer ongehinderd de grote rivieren op om daar te paren en kuit te schieten. Evenmin kan bijvoorbeeld de winde, een zoetwatervis die vanuit het IJsselmeer de Overijsselse Vecht op wil zwemmen om oostelijk zijn jongen voort te brengen, zijn paaiplaats bereiken.

De grote trekvissen komen uit zee via de Nieuwe Waterweg of het Haringvliet het zoete water binnen. Welk deel van de populatie de rivieren opgaan, weet niemand. Deskundigen stellen dat de zalm die nu sporadisch op de rivieren gevangen wordt, uitgezette vis is of trekvissen die de verkeerde rivier opgezwommen zijn. De normale trek van zalm en forel in de Rijn verdween al voor de oorlog toen allerlei cultuurtechnische kunstwerken in de rivieren verschenen. Alleen glasaal weet doorgaans de weg stroomopwaarts wel te vinden.

Wanneer trekvissen rijp zijn voor de paring, ontrolt zich in hun geheugen plots een land- en reukkaart. Daarop staat uitgetekend hoe zij eerder als jong visje door het rivierwater zijn meegenomen naar de zee. Die tocht naar zee verliep vaak snel en spelenderwijs. Terug is veel moeilijker. Te meer daar er een strak tijdschema heerst. Als de vis niet op tijd op de paaigronden is, valt er een generatie uit. De stuwen gaan soms wekenlang niet open en als ze opengaan, is het weinig vissen gegeven tegen de sterke spuistroom in te zwemmen.

In de Maas zijn daarom vijf nieuwe vistrappen aangebracht. Bij de stuwen van Borgharen en Grave worden de komende jaren nog meer vistrappen aangebracht. In de Overijsselse Vecht zijn inmiddels alle zes kunstwerken voor trekvissen goed passeerbaar via vistrappen.

Ook in de Lek en Neder-Rijn worden de komende jaren vistrappen aangebracht. De nieuwe vistrappen bestaan uit verschillende bekkens die in een lus om de stuw heen worden aangelegd. Het geheel oogt als een zijriviertje buiten de stuw om. De reeks bassins zijn gescheiden door V-vormige drempels die men bekleedt met stenen en andere natuurlijk materialen. In een bekken kan de vis desgewenst langdurig uitrusten. Deze vistrappen vervangen een vorige generatie vistrappen, die eigenlijk in de meeste gevallen nauwelijks hebben gewerkt.

Smalle goot

Bij de aanleg van de vistrappen heeft men niet op wat geld gelet. De kosten bedragen 2-4 miljoen gulden per vistrap. Dit geldt tenminste voor de vistrappen in de Maas, Rijn en Lek. De Waal en Merwede kennen geen stuwen, de vissen kunnen daar gewoon tegen de stroom in zwemmen.

Ing W.J.M. Muyres, belast met het beheer van riviervissen, vertelt: 'Al in de jaren '20 en '30 ontwierp men vistrappen naast stuwen in de rivieren. Die vistrappen bouwde men toen als replica van vistrappen die in berggebieden werden toegepast.'

Deze eerste generatie vistrappen bestond uit een smalle goot, waarin het waterstroompje neerwaarts kletterde. Muyres: 'Sommige grotere vissoorten konden door die goot hun weg naar boven wel vinden. Maar de meeste spoelden door 30-40 meter lange goten terug. Het verval lag in de buurt van 10%. Na een periode van experimenteren vatte begin jaren zeventig de gedachte post dat het aantal vissen dat de trappen doorkwam, veel te laag was.'

Rijkswaterstaat besloot daarom uiteindelijk om geen onderhoud meer uit te voeren aan die oude vistrappen. In de Lek en Neder-Rijn werden de onnuttige vistrappen zelfs helemaal afgesloten.

Het gevolg was dat de trekvis die per se de Lek op wilde, uitstierf. Want van een omweg wil zo'n trekvis niet weten. Muyres schertst: 'Rijkswaterstaat heeft het nooit kunnen klaarspelen om alle jonge vis bij Pannerden, waar het Rijnwater splitst, de Waal te laten kiezen, zodat zij bij het uitzwemmen geen obstakels zouden tegenkomen en terug diezelfde gemakkelijke route zouden kiezen.'

Muyres: 'Om grotere aantallen vis te laten passeren, moesten we van dit oude concept af en nieuwe vistrappen ontwikkelen. Deskundigen van het Rijksinstituut voor Visserijonderzoek (RIVO) ontwikkelden een nieuw type trap met een sterke V-vorm. In het midden stroomt het water zeer sterk terwijl aan weerszijden de stroming afneemt. De vistrap-nieuwe-stijl oogt als waren er dammen tussen in de bekkens aangelegd. Het verval bedraagt slechts 1%. De geringe stroming maakt het voor de vis gemakkelijker om van bekken naar bekken kan gaan. De vistrappen zijn soms wel 300 meter lang en 15 meter breed. De bassins hebben onderling 20 cm hoogteverschil.'

Bijzonder probleem

Dit ontwerp is afkomstig van Muyres zelf en dateert uit de jaren tachtig. De laatste jaren zijn de 'Muyres-vistrappen' aangebracht in de Maas.

Voor de Lek en Neder-Rijn geldt een bijzonder probleem. De stuwen bij Driel, Amerongen en Hagestein bestaan hier uit half-maanvormige schuiven, waar het water onderdoor gaat en niet overheen stroomt. Het waterniveau varieert daardoor bovenstrooms sterk. De instroom van de vistrappen moet daarop aangepast worden. Het concept van de vistrappen uit de Vecht en de Maas blijft evenwel gehandhaafd. Wel zullen aangepaste instroomniveaus gemaakt worden.

Maar komen ze wel, die trekvissen? Is het water al schoon genoeg? Hoewel de laatste jaren de waterkwaliteit is verbeterd en de vis zich lijkt te herstellen, valt er toch nog veel op het huidige water af te dingen. 'Het is te vroeg om te juichen,' vindt adjunct-directeur dr. P. Hagel van het Rijksinstituut voor Visserijonderzoek te IJmuiden. 'Het zal erom houden of we de doelstelling halen, om in het jaar 2000 de zalm weer terug te hebben op de Nederlandse grote rivieren, zoals internationaal afgesproken werd. De lage zuurstofwaarde uit de jaren zeventig, toen het rivierwater er als algensoep uitzag, is hersteld in de jaren tachtig. Maar dit levert nog niet in alle opzichten goed water op. Er is tegenwoordig zoveel zout in het water, dat er tot aan de Duitse grens organismen worden aangetroffen die eigenlijk in brak water thuishoren. En dat komt niet door oprukkend zeewater. Nee, het gaat om de anorganische stoffen die door industriële lozingen in het water verborgen zitten. De Europese Gemeenschap (EU) heeft van 130 stoffen gesteld dat ze eigenlijk niet geloosd mogen worden op de rivieren. De EU wil voor die stoffen naar een zogenaamde nullozing. Desondanks wordt er nog op heel veel plaatsen gewoon volgens oude lozingsvergunningen geloosd.'