Sorgdrager toont gebrek aan ministeriële ruggegraat

Een Groningse officier van justitie, die adviseerde een arts niet te vervolgen na euthanasie op een zwaar gehandicapte baby, mag van minister Sorgdrager (justitie) geen euthanasiezaken meer doen. Hij is om niets aan de schandpaal genageld, oordeelt J. Griffiths. En dat is een veeg teken.

Is de politieke onafhankelijkheid van het openbaar ministerie - de zogenaamde 'staande magistratuur', die de staat vertegenwoordigt in strafzaken - voldoende gewaarborgd? Voor wat betreft de toekomst van het openbaar ministerie, en daarmee van de rechtsstaat zelf, stemt alleen al het feit dat deze vraag steeds klemmender moet worden gesteld, weinig vrolijk. Momenteel gaat het daarbij vooral om de plannen van de minister om door middel van een reorganisatie de mogelijkheden tot 'politieke sturing' van het apparaat te vergroten.

Daar komt bij dat het openbaar ministerie thans in een vergevorderde staat van morele ontbinding lijkt te verkeren. Nauwelijks bekomen van de schrik van de IRT-affaire was Nederland er vorige week getuige van dat de leiding van het openbaar ministerie het nodig vond een integere officier van justitie aan de schandpaal te nagelen. En wel, voorzover blijkt, om niets.

Wat is er gebeurd? Een Groninger huisarts had het leven van een stervende en lijdende baby vroegtijdig beëindigd en dit feit volgens de zogenaamde 'meldingsprocedure' bij justitie aangemeld. Alle verantwoordelijke niveaus van het openbaar ministerie, tot en met het college van procureurs-generaal, adviseerden om niet tot vervolging over te gaan.

Desalniettemin gaf minister Sorgdrager opdracht tot vervolging, omdat zij de voor een dergelijk geval geldende regels door middel van een rechterlijke uitspraak wilde laten vaststellen. Aldus geschiedde. De officier die de opdracht kreeg de zaak te behandelen, heeft de kwestie aan de rechtbank voorgelegd. De rechtbank vond het handelen van de arts zorgvuldig en onder de omstandigheden gerechtvaardigd en ontsloeg deze derhalve van rechtsvervolging. De minister kreeg dus precies wat zij wilde: verduidelijking van de regels.

Wat is er aan de hand? De officier heeft op de daartoe geëigende wijze (een verzoek om hem in zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren) ook een ander juridisch vraagstuk aan de orde gesteld. Het betreft de vraag of een vervolging die uitgaat van een verplichte zelf-aangifte door de arts niet in strijd is met het fundamentele (en verdragsrechtelijk vastgelegde) nemo tenetur-beginsel, dat inhoudt dat een verdachte niet gedwongen mag worden aan zijn eigen veroordeling mee te werken. Deze vraag, die aan de fundamenten van de huidige juridische controle op euthanasie en andere vormen van levensbeëindigend handelen door artsen knaagt, was nog nooit eerder aan de rechter voorgelegd. Dankzij de Groninger officier is aan die situatie een einde gekomen.

Kennelijk voelde de officier zich verplicht om de bezorgdheid, die onder vele juristen leeft over de gespannen verhouding tussen de meldingsprocedure en het nemo-tenetur-beginsel, naar voren te brengen. Het is nu eenmaal de taak van de officier - daarom is hij een 'magistraat' en niet louter een advocaat van de staat - om er voor te zorgen dat een veroordeling alleen op rechtmatige wijze plaatsvindt.

Indien de rechtbank zijn twijfel gefundeerd had geacht, dan had de arts (ongeacht de eventuele ontoelaatbaarheid van zijn handelen) niet veroordeeld mogen worden. De rechtbank vond het echter niet nodig om deze vraag te beantwoorden, zich beroepend op het feit dat de thans geldende wettelijke basis voor de meldingsprocedure nog niet in werking was getreden toen de huisarts de zaak had aangemeld. (Dit standpunt is overigens nogal merkwaardig, maar daar gaat het nu niet om.)

Na de uitspraak heeft het Kamerlid Van der Burg (CDA) in de Tweede Kamer een vraag over het gebeurde gesteld. Ontdaan van alle onbeholpenheid komt zijn vraag hier op neer: Was de minister het met de officier eens, dat de meldingsprocedure en de strafrechtelijke vervolging op gespannen voet met elkaar staan? Vond zij het verzoek van de officier aan de rechtbank om hem vanwege bovengenoemde problematiek in zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren strijdig met haar opdracht tot vervolging? Overwoog zij 'stappen te nemen' tegen de officier?

Wat had de minister op de Kamervraag moeten antwoorden? Voor de hand ligt iets in deze trant: De officier heeft de opdracht keurig uitgevoerd. Dat er naast de juridische vraag, die haar interesseerde, ook andere juridische vragen aan de orde werden gesteld, is nu eenmaal eigen aan een strafproces (waar het immers primair gaat om de strafbaarheid van de dader, niet om het vaststellen van nieuwe regels). Dat de magistratelijkheid van het openbaar ministerie, waar zij grote waarde aan hecht, het niet toestaat, dat een minister zich mengt in het verloop van een individuele strafzaak. Dat, ongeacht of zij het daarmee eens is of niet, het standpunt van de officier een respectabel juridisch standpunt is, dat zeker aan de rechter voorgelegd mocht worden. Dat het onder deze omstandigheden niet bij haar opkwam om 'stappen te nemen' tegen de officier. En dat zij van de Kamer ook wat meer respect voor de politiek onafhankelijke positie van de staande magistratuur verwachtte. Zo'n antwoord had toch niet zo vreselijk veel ministeriële ruggegraat geëist?

Wat heeft de minister in feite geantwoord? De officier had haar niet van tevoren op de hoogte gesteld van zijn voornemens. Toen zij door de procureur-generaal te Leeuwarden “nog tijdens de zitting” op de hoogte werd gesteld, heeft zij de voorzitter van het college van procureurs-generaal verzocht haar te adviseren of de officier conform haar opdracht tot vervolging had gehandeld. Deze heeft haar laten weten met de procureur-generaal te Leeuwarden en de hoofdofficier te Groningen van oordeel te zijn dat de “vordering ter terechtzitting tot niet-ontvankelijkheid in deze zaak de in acht te nemen grenzen” van haar opdracht had “overschreden”. De voorzitter van het college van procureurs-generaal vond de gedane vordering bovendien “onjuist”. Mede omdat de betreffende officier volhardde in zijn standpunt, dat op zijn handelwijze niets aan te merken viel, had de hoofdofficier inmiddels besloten hem zaken met betrekking tot levensbeëindigend handelen door artsen en wellicht ook andere “(politiek) gevoelige zaken” niet meer te laten behandelen. De voorzitter van het college van procureurs-generaal had haar ook laten weten dat “voorbereidingen zijn getroffen om het optreden ter zitting van de officier van justitie ... disciplinair te toetsen”.

De minister zei “de handelwijze van de betrokken officier van justitie in hoge mate” te betreuren. Zij deelde “geenszins de opvatting dat de meldingsprocedure in strijd is met het beginsel dat niemand is gehouden mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Zoals mijn ambtsvoorganger in debatten met uw Kamer bij herhaling uitvoerig heeft uiteengezet, houdt de administratieve verplichting voor de arts om de meldingsprocedure te volgen niet in dat een arts op enigerlei wijze ertoe gedwongen zou worden voor hemzelf belastend bewijsmateriaal over te leggen met het oog op een strafrechtelijke veroordeling. Dit standpunt is door beide Kamers van de Staten-Generaal onderschreven”.

Van dit antwoord klopt geen barst. Natuurlijk had de officier conform de opdracht gehandeld. De opdracht van de minister om in een individueel geval een dergelijke opdracht te geven, strekt immers niet verder dan het instellen van de vervolging. En dat heeft de officier loyaal gedaan. Omdat hij in een vergelijkbare zaak op het laatste moment politieke inmenging door de (vorige) minister met betrekking tot de strafeis had ervaren, heeft hij zich er tevoren van verzekerd dat hij in dit geval volledige vrijheid van handelen zou hebben. Dat dit kennelijk niet overbodig (en ook niet afdoende) was, geeft al aan in hoeverre de magistratelijkheid van het openbaar ministerie is uitgehold.

Dat de voorzitter van het college van procureurs-generaal en de procureur-generaal te Leeuwarden het oordeel van de officier over de toepassing van het nemo tenetur-beginsel niet delen, is irrelevant want zij zijn geen rechters. Bovendien bekleden de beide heren hun fucties naar verluidt vanwege hun beleidsmatige en bestuurlijke kwaliteiten. Over juridisch gezag met betrekking tot een lastig onderwerp zoals de grenzen van het nemo tenetur-beginsel beschikken ze in ieder geval niet. Als de minister advies daarover nodig achtte, had zij zich beter tot anderen kunnen wenden.

Het is genoegzaam bekend dat het parlement ten gevolge van politieke verlamming niet in staat is geweest om een inhoudelijke regeling van het euthanasievraagstuk aan te nemen en dat er daarom is gekozen voor de 'oplossing' van de meldingsprocedure. Daarbij is de hele problematiek van het regelen van levensbeëindigend handelen naar de staande en de zittende magistratuur overgeheveld.

Over de mate waarin in de Eerste en Tweede-Kamer de meldingsprocedure een serieuze staats- en verdragsrechtelijke toetsing heeft ondergaan hoeft men geen al te hoge dunk te hebben. Ook het weinig genuanceerde standpunt in deze van de toenmalige minister van justitie is bekend. Gelukkigerwijs ontslaat dit alles de rechter niet van de plicht een eigen oordeel te vormen. En daarmee is het ook legitiem dat een officier de kwestie aan de rechter voorlegt.

Stel echter dat de bezwaren tegen de handelwijze van de officier iets om het lijf hadden. Dan nog kan ik mij voorstellen dat een minister, een voorzitter van het college van procureurs-generaal, een procureur-generaal en een hoofdofficier een meer gracieuze manier hadden kunnen bedenken om de officier tot de orde te roepen. Dat men koos voor terechtwijzing in de Kamer en via de media wekt de indruk dat het met de onderlinge verhoudingen in het openbaar ministerie droevig moet zijn gesteld.

Eén en ander voorspelt weinig goeds, noch voor wat betreft het soort personen dat in de toekomst een functie als officier zal ambiëren, noch voor de mate van integriteit en onafhankeljkheid die verwacht kan worden van officieren. Er zijn overigens ook andere indicaties dat de leiding van het openbaar ministerie streeft naar een apparaat bestaande uit 'marionetten', zoals Breedveld het onlangs in Trouw formuleerde. Zo weten wij nu bij voorbaat al wat de minister verstaat onder 'politieke sturing' van het openbaar ministerie. Zo verkrijgen de geruchten als zou de laatste tijd een zich onafhankelijk opstellend officier wel eens bureaucratisch weggewerkt kunnen worden, geloofwaardigheid. Als het zo doorgaat blijft er weinig over van de eens zo fiere magistratelijkheid van de staande magistratuur.

Na IRT en gouden handdruk voelde de minister ongetwijfeld de noodzaak om een zoenoffer aan de Tweede Kamer te brengen. (Dat tot dusver geen enkele parlementariër de bloedige dis geweigerd heeft stelt teleur.) En na maandenlang door parlementaire-enquêtecommissie en media als nietsnutten te zijn behandeld, was de opperste leiding van het openbaar ministerie wellicht op zoek naar een gelegenheid om haar bestuurlijke spierballen eens in het openbaar te tonen.

Bij een apparaat dat in permanente staat van reorganisatie verkeert hoeft men naar algemene ervaring geen al te verfijnde onderlinge fatsoensnormen te zoeken. Maar dan nog. Waarom heeft géén van de betrokkenen in de hiërarchie de simpele moed gehad om niet mee te werken aan zo'n deerniswekkende vertoning?

Toch is er een lichtpunt in het hele verhaal. Er is in Groningen een officier die nog wel ruggegraat en professionele integriteit bezit. Zijn requisitoir heeft respect onder vakgenoten geoogst. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat iedereen zijn mening helemaal deelt; het respect betreft vooral de professionele wijze waarop hij een serieus juridisch probleem op tafel heeft gelegd. Ook de laconieke wijze waarop hij alle opwinding bij zijn qua ruggegraat minder bedeelde superieuren van zich afschudt, dwingt respect af. De minister zou eveneens respect oogsten wanneer zij een dergelijke officier tegen politiek gekrakeel in bescherming nam.