Nobelprijswinnaars

Op 10 december worden in Stockholm de Nobelprijzen uitgereikt. Velen zullen met mij verheugd zijn dat de Nederlander Paul Crutzen samen met Molina en Rowland de Nobelprijs voor scheikunde zal krijgen. Hij is na Niko Tinbergen, Nico Bloembergen en Simon van der Meer de vierde Nederlandse na-oorlogse Nobelprijswinnaar die de prijs kreeg toegekend op grond van werk dat in het buitenland werd uitgevoerd.

Slechts Frits Zernicke en Jan Tinbergen ontvingen de prijs voor onderzoek dat ze in Nederland hadden gedaan. De eerste had het onderzoek over de optica van de telescoop dat de basis legde voor de ontwikkeling van de fase-contrast microscoop al voor 1945 verricht. Een pikante bijzonderheid is dat zijn verzoek aan het Groningse College van Curatoren een microscoop te mogen aanschaffen werd afgewezen, omdat hij een theoretisch fysicus was, waarvoor men zo'n instrument toch niet direct nodig achtte. Het onderzoek van Jan Tinbergen, de eerste econoom die de prijs voor de economie kreeg, zal zoals het een econoom betaamt, niet veel geld hebben gekost maar daarover heb ik geen informatie.

In een commentaar van het tijdschrift Nature van 27 oktober wordt naar aanleiding van het feit dat gedurende de laatste elf jaar tien onderzoekers werkzaam in Max Planck Instituten met de Nobelprijs werden geëerd, opgemerkt dat er weinig onderzoekorganisaties zijn die zo'n gunstig klimaat voor onderzoek weten te scheppen als de Max Planck Gesellschaft. Daar wordt geld gegeven aan de allerbeste reeds ervaren onderzoekers die zich dan niet meer bezig hoeven te houden met management, onderwijs en het schrijven van aanvragen voor onderzoek. Eenmaal benoemd als directeur kunnen zij hun gang gaan. Zij beschikken over ruime middelen voor het onderzoek dat zij willen uitvoeren.

Het valt niet mee om in Nederland werkend een Nobelprijs te krijgen omdat het onderzoek al jaren wordt geplaagd door bezuinigingen, als gevolg van de massificatie van het Hoger Onderwijs. Dat ging gepaard met een enorme bureaucratisering waaraan veel geld is besteed. Toen ik in 1963 in Utrecht werd benoemd had de Medische Faculteit één secretaresse, nu omvat het bureau van Faculteit meer dan 30 werknemers. Hetzelfde deed zich voor bij de bureaus van de Universiteit en bij het departement van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

Vele briljante gepromoveerden aan onze instellingen van Hoger Onderwijs verlaten ons land omdat ze hier niet aan de bak komen. Zij weten nu dat men door naar het buitenland te gaan een grotere kans maakt op een Nobelprijs dan door hier te blijven. Het maakt voor de wetenschap niet uit of hier of elders gebeurt.

Toch is het plezierig dat we in ons land beschikken over enkele voetbalclubs van internationaal niveau. Dat zal niemand betwijfelen. Het heeft een heel stimulerende invloed op die sport en het garandeert kwaliteit voor de toekomst. Het is in de wetenschap net zo. Van een Nobelprijs voor in Nederland uitgevoerd onderzoek gaat een geweldige stimulans uit waardoor nationaal en internationaal de beste studenten uit het betreffende vakgebied worden aangetrokken. Van dat talent kan ook het onderzoek in ons land op den duur profiteren.

Een goed voorbeeld daarvan is de toekenning van de Nobelprijs aan Jan Tinbergen die een geweldige uitstraling heeft gehad voor zijn vakgebied, de econometrie in ons land. Een plezierige bijkomstigheid van het commentaar in Nature dat aanleiding was voor deze ingezonden brief is dat geen onderzoeker die zijn werk in Nederland uitvoert zich meer hoeft te generen dat men de Nobelprijs niet heeft gekregen.