Mooi ondoorgrondelijke 'Beurtzang' van Rijnders

Voorstelling: Barnes' Beurtzang naar De Beurtzang van Djuna Barnes door Toneelgroep Amsterdam en Blauwe Maandag Compagnie. Vertaling: Barber van de Pol. Regie: Gerardjan Rijnders. Scenografie: Erik Kouwenhoven. Spel: Els Dottermans, Lineke Rijxman, Kees Hulst, Jos Verbist e.a. Gezien: 6/12, Transformatorhuis, Amsterdam. Aldaar t/m 22/12, vanaf 9/1 tournee door België. Inl 020-5237800.

De Amerikaanse schrijfster Djuna Barnes (1892-1982) was al tijdens haar, in haar eigen ogen veel te lange leven synoniem met ontoegankelijkheid. Als ze het al vermelden doen literaire handboeken haar werk steevast af als obscuur, zonderling en marginaal. Alleen haar roman Nightwood (1936) wordt over het algemeen genoemd. Voor het overige lijkt vooral haar levenswandel nog van enig belang. Ze behoorde tot de roemruchte Amerikaanse bohème in het Parijs van de jaren twintig, werd tegen haar wil in kringen gevierd als 'Sapphisch' dichteres, was dwars en onaangenaam, en sleet de tweede helft van haar ondraaglijke bestaan in alcoholische eenzaamheid. Dat verhinderde haar niet ruim tien jaar te werken aan wat zijzelf als haar belangrijkste werk beschouwde, het toneelstuk Antiphon (De Beurtzang) dat in 1958 gepubliceerd werd.

Barber van de Pol vertaalde het, op verzoek van Gerardjan Rijnders die het nu geënsceneerd heeft, als co-produktie van Toneelgroep Amsterdam en Blauwe Maandag Compagnie. Een oordeel over Van de Pols vertaling vereist een aparte studie; in een aanstekelijk stuk (De Gids, augustus 1995) beschrijft de vertaalster haar soms wanhopige zoektocht door Barnes' doolhof en veronderstelt ze deemoedig dat ze 'ongetwijfeld (-) niet alle valkuilen en dubbele bodems' heeft herkend. Soortgelijke sympathieke bescheidenheid tekent het verslag van de wording van de toneelvoorstelling in het programma door dramaturge Janine Brogt, die zegt: “Ze schrijft onbegrijpelijk omdat ze niet mag, niet kan schrijven wat ze moet schrijven.” Barnes schreef 'zich (-) tot stilte'.

Het lijkt me een juiste constatering, die op paradoxale wijze ondersteuning vindt in de bij het verslag opgenomen illustraties van het werk van de Amerikaanse beeldende kunstenares Louise Bourgeois. Haar bizarre, ondoorgrondelijke sculpturen en tekeningen ondervinden tegenwoordig terecht veel waardering, maar toen ik Bourgeois onlangs in een televisiedocumentaire haar werk zag toelichten, verloor het iets van zijn glans en mysterie. Ik had Bourgeois' toelichtingen liever niet gehoord: dat Barnes, op straffe van vergetelheid, de voorkeur gaf aan ondoorgrondelijkheid, is zo gek nog niet.

Kern van het toneelstuk is de verkrachting van de figuur Miranda door haar vader, met medeweten van moeder Augusta. De vader komt in het stuk niet voor; het beschrijft de reünie van moeder, dochter en haar broers in Burley Hall, een oud familiebezit in Engeland. De dramatische lijn is de afrekening van Miranda met haar moeder, die hen beiden het leven zal kosten.

Rijnders putte uit het stuk, en laat het niet integraal spelen. Tegelijkertijd brengt hij accenten aan; de oudere Miranda (gespeeld door Lineke Rijxman) ziet eruit als de Barnes die we kennen van foto's van Man Ray en haar herinneringen of liever, bittere verwijten, krijgen gestalte in een witte, droomachtige jonge versie van Miranda, gespeeld door Roos Ouwehand.

Niet alleen daarom doet Barnes' Beurtzang denken aan Wolfson, de talenstudent, een Rijnders-enscenering van tien jaar geleden, gebaseerd op twee boeken van Louis Wolfson. Ook daarin draafden afsplitsingen op van de hoofdfiguur, ter illustratie van zijn schizofrenie. Het schizofrene is nu niet aan de orde, maar net als toen is Ouwehands rol een handreiking aan het publiek, een theatrale interpretatie van een tekst. Vergelijkbaar is ook de tekstbehandeling en het gebruik van muziek en microfoons: er zijn simultaan verwoorde citaten, gilletjes, dansjes, en even kleine als ondoorgrondelijke relativeringen met toeters en maskers.

Wie wat waarom zegt en doet, blijft grotendeels duister - uit respect voor Barnes of uit onvermogen, wellicht een mengeling van beide. Het doet er nauwelijks toe, van belang is in elk geval dat Rijnders een erg mooie vorm toont. Zijn voorstelling is een toonbeeld van picturale en auditieve ritmiek, een esthetisch uitgewogen geheel, waarin zijn arme acteurs, ondanks een waarschijnlijk niet alleen ogenschijnlijk gebrek aan houvast, trefzeker opereren. Ze wekken de schijn als weinigen te begrijpen wat ze doen en alleen al door dat bravoure is de voorstelling een belevenis. Het doet je overmoedig denken dat je het ook begrijpt - en misschien is dat ook wel zo. Ja, zo onbegrijpelijk is Barnes helemaal niet, dacht ik, toen ik het stuk na de voorstelling opnieuw las. De verkrachting is het door Rijnders met donder en bliksem omgeven scharnierpunt, ervoor en erna kijken we naar aloude familieperikelen.