Inkomensongelijkheid toegenomen

DEN HAAG, 7 DEC. De inkomensongelijkheid is vorig jaar toegenomen. Het aandeel van de twintig procent huishoudens met de laagste inkomens daalde, dat van de rijkste inkomensgroep steeg. Dit blijkt uit cijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) vanmorgen heeft gepubliceerd.

In 1994 ontving de twintig procent huishoudens met de laagste inkomens 6,2 procent van het totale besteedbare huishoudinkomen (inkomsten uit arbeid, winst, sociale uitkeringen en pensioenen minus belastingen en sociale premies). Twee jaar eerder was dat nog 6,7 procent. Het aandeel van de rijkste inkomensgroep nam iets toe van 38,1 tot 38,2 procent. Gemiddeld gingen alle huishoudens er vorig jaar in koopkracht op achteruit. Dat kwam omdat de prijzen sterker stegen dan de inkomens. Gemiddeld had een huishouden in 1994 700 gulden minder te besteden dan het jaar daarvoor. Ook in 1993 was al sprake van een reële inkomensdaling. Het CBS baseert deze cijfers op gegevens van de belastingdienst. Omdat de belastingbiljetten over 1995 nog niet zijn ingevuld is nog niets bekend over de ontwikkeling van de koopkracht dit jaar. Vorig jaar stegen de huishoudinkomens gemiddeld met 1,3 procent. De consumentenprijzen stegen echter harder: met 2,8 procent. Vooral gepensioneerden gingen er op achteruit. Hun reële (voor prijsstijging gecorrigeerde) inkomen was 1,7 procent lager dan in 1993. Ook uitkeringsgerechtigden gingen er in koopkracht op achteruit, namelijk met 0,9 procent. De inkomens van loontrekkenden bleven na aftrek van prijsstijging gelijk.