In Liefde Bloeyende

Egidius, waer bestu bleven?

Mi lanct na di, gheselle mijn.

Du coors die doot, du liets mi tleven.

Dat was gheselscap goet ende fijn

Het sceen teen moeste ghestorven sijn.

Nu bestu in den troon verheven

Claerre dan der zonnen scijn

Alle vruecht es di ghegheven.

Egidius, waer bestu bleven?

Mi lanct na di, gheselle mijn.

Du coors de doot, du liets mi tleven.

Nu bidt vor mi: ic moet noch sneven

Ende in de weerelt liden pijn.

Verware mijn stede di beneven:

Ic moet noch zinghen een liedekijn.

Nochtan moet emmer ghestorven sijn.

Egidius, waer bestu bleven?

Mi lanct na di, gheselle mijn.

Du coors die doot, du liets mi tleven.

(Uit het Gruuthuse-handschrift, 14de eeuw)

Wonderlijk, nietwaar, zoals dit liedje van verlangen, dit liedje van gemis uit het verleden komt aanzweven... Eeuwen zijn er voorbij, niet alleen Egidius is dood, ook van de wereld waarin Egidius stierf is nauwelijks iets over, en van de stenen die er nog uit resten vatten we maar moeilijk de betekenis: toch komt daar door een kier in de tijd die treurige stem naar ons toe, die lamentatie, de stem van iemand wiens vriend is gestorven, dat ook, maar vooral van iemand die weent dat hij nog voort moet leven. Het is een ijl en broos gedicht en daarom heeft het waarschijnlijk door die kier in de tijd kunnen ontsnappen. Nog steeds is het een broos gedicht. Raak het aan en het krimpt. Verleen er pathetiek aan en het lost op. Het is een gedicht in mineur. Een de profundis, in wanhoop en radeloosheid. Maar de zanger schreeuwt en jammert niet, hij klaagt niet aan. Hij denkt hardop en fluistert voor zich uit, met de gekte van iemand die weet dat hij in een cirkel redeneert, een doffe gekte die tevens berusting is.

Zie hem daar zitten, de zanger. Hij zit op een hek, ergens bij een weiland. Of op een muur in de stad. Zijn instrument ligt werkeloos naast hem, op het gras of op de keien. Misschien is zijn naam wel Jan Moritoen. Misschien ook niet. Het is ook mogelijk dat hij staat, tegen een boom geleund of tegen een stadswal of kamermuur, maar één ding is zeker: hij zit bij de pakken neer. De pijn van de dood heeft hem de ogen geopend voor de pijn van het leven. Hij heeft nu weet van het echte verdriet het verdriet dat de doden ons aandoen door ons achter te laten. Hij heeft weet van het schuldgevoel van de achtergeblevene, schuldgevoel omdat hij nog altijd leeft. Ic moet noch zinghen een liedekijn. Ik moet mijn liedje hier nog zingen. Nochtan moet emmer ghestorven sijn. Maar uiteindelijk zal er toch gestorven moeten worden.

De dood betekent niets voor een dode, en alles voor een levende. Zelfs wie het meest van ons hield heeft na zijn dood alleen nog oog voor het verblindendste wit, claerre dan der zonnen scijn. Onze moeder die ons ter wereld heeft gebracht, na haar dood is ze ons finaal vergeten. Onze vriend met wie we de eeuwigheid leken te delen, na zijn dood is hij ons finaal vergeten. Ze bezitten dan alle vreugde, de doden, en bij zoveel vreugde is voor ons geen plaats meer. Je leeft nog, maar je bent een verstotene.

Dit is wat de zanger van het Egidiuslied voelt, terwijl hij daar op zijn hek of muurtje zijn lippen beweegt, starend in het niets. Zijn vriend heeft hem in de steek gelaten, en niet zomaar een vriend Mi lanct na di, gheselle mijn nee, door de nadruk die het aan het slot geplaatste mijn krijgt, de vriend van mij speciaal, de gheselle van zijn gheselscap goet ende fijn, niet van het gezelschap dat we kennen uit damesgezelschap of leesgezelschap, maar van het gezelschap dat vriendschap heet. Waer bestu bleven? Waar zit je in godsnaam?

Het is duidelijk dat de zanger het niet met het vertrek van zijn vriend eens is, maar duidelijk is ook dat hij eerder het leven betreurt dan de dood - Du coors die doot, du liets mi tleven - hoeveel treuriger klinkt het jij liet mij met het leven zitten dan het jij koos voor de dood. Kiezen is actief, laten passief. De dader en zijn slachtoffer.

Ik hoor dit gedicht wel eens op een hoopvol toontje voorlezen. Egidius, waer bestu bleven? zo van hopla-hopla-huppelhup. Nog even doorbijten, Egidiuslief en hoera! ik kom eraan. Het krijgt dan iets vrolijks met een weemoedig randje. Ik begrijp in godsnaam niet waarom. Het Egidiuslied is een lied van existentiële angst, een verbijsterde snik om het onrecht dat leven heet. Het is het lied van iemand die voor het eerst ontdekt dat wie dood gaat verraad pleegt en dat de dood uitsluitend de levenden dupeert. Niet het snijden doet zo'n pijn, maar het afgesneden zijn. Jawel, jawel. Ook goed. Maar het Egidiuslied gaat verder. De zanger kijkt in de toekomst en wat hem daarin pijn doet is niet 'het afgesneden zijn' maar de constatering dat hij zal moeten blijven zingen tot het bittere eind. Nu bidt vor mi. Ofwel: het is niet te geloven.