Hollands Formosa voor Chinezen verklaard

Wie de geschiedenis van Formosa bestudeert, kan niet buiten de VOC- archieven. Ten behoeve van de onderzoeker uit het Verre Oosten zijn de relevante passages in het Chinees vertaald.

Toen in september 1624 Martinus Sonck op het eiland Formosa landde, liet hij te Tayouan direct een versterking neerzetten: het latere fort Zeelandia. Het was het begin van een periode van Nederlandse overheersing die tot 1662 duurde. Formosa, het huidige Taiwan, was in het handelsnetwerk van de Verenigde Oostindische Compagnie een belangrijk knooppunt. Uit China kwamen suiker en zijde, betaald met Japans zilver. Ook werd Chinees goud ingevoerd, dat op de kust van Coromandel werd geruild tegen Indiaas textiel. Aldus groeide de 'coorenschuyr' van de Compagnie, waar de christelijke zending opzienbarende successsen boekte, uit tot een van de voornaamste factorijen.

In China, Japan en Taiwan is de belangstelling voor dit stukje geschiedenis de afgelopen jaren sterk gestegen. Zo zoekt Taiwan naarstig naar een eigen identiteit en de Nederlandse periode, toen de instroom van Chinezen op gang kwam en de oorspronkelijke Austronesische bevolking de bergen werd ingejaagd, wordt als het beginpunt gezien van een zelfstandig bestaan los van China. Daar plaatst men de episode in het licht van de opstand van de Mandsjoes in die periode tegen het Ming-bewind, en de dynastie-wisseling die daarvan het gevolg was.

Voor bronnenmateriaal was de historicus uit het Verre Oosten tot nu toe aangewezen op in het Japans en Engels vertaalde gegevens uit het VOC-archief. Die zijn zeer summier. Veel beter is het de volledige Generale Missieven van Gouverneur-Generaal en Raden aan Heren Zeventien der Verenigde Oostindische Compagnie, bij elkaar ruim een kilometer archief, in het Algemeen Rijksarchief in Den Haag als uitgangspunt te nemen, en wel in het bijzonder de passages aangaande Formosa. De jaarlijkse Missieven geven een gedetailleerd overzicht, variërend van scheepbewegingen tot militaire strafexpedities tegen inlanders. Wel moet je het zeventiende-eeuwse Nederlands kunnen lezen en begrijpen, en dat is slechts weinigen gegeven. Hoe mooi zou het niet zijn als die goudmijn aan gegevens in Chinese vertaling beschikbaar kwam.

Die monnikenarbeid is de afgelopen vijf jaar met vastberadenheid en toewijding verricht door de historicus Cheng Shaogang uit de Volksrepubliek. Komende dinsdag promoveert Cheng bij de Leidse sinoloog prof.dr. K.M. Schipper op het proefschrift De VOC en Formosa 1624-1662: Een vergeten geschiedenis. Het werkstuk is van een ongebruikelijke omvang: deel 1 (671 bladzijden) bevat een uitgebreide inleiding gevolgd door de geannoteerde Chinese vertaling van de Formosa-passages uit de Generale Missieven, deel 2 (519 bladzijden) geeft de in het Rijksarchief afgeschreven Nederlandse teksten. Cheng is bij het bezorgen zo min mogelijk van het origineel afgeweken, al heeft hij ter wille van de toegankelijkheid leestekens, hoofdletters en bladindelingen aangebracht en afkortingen voluit gespeld.

Ongebruikelijk

De totstandkoming van Chengs proefschrift is zeer ongebruikelijk. Geboren in het Noordchinese Caopo, een plaats onder Mantsjoerije, begon hij zijn academische loopbaan in 1983 met een studie Duits aan het Instituut voor Vreemde Talen in Beijing, gefinancierd met geld dat zijn broer verdiende. Kerst 1985 werd Cheng door de Chinese overheid naar Nederland uitgezonden, om er de taal te leren waarna hij in China als tolk zou functioneren. Cheng: 'Het eerste half jaar in Leiden heb ik in het talenlab doorgebracht en onder begeleiding van twee privéleraren Nederlands geleerd. Ik sprak wel Duits, maar mijn hospita waarschuwde me dat je daar, afhankelijk van het gezelschap, mee moet oppassen.'

Het studiejaar '86-'87 begon Cheng - die nu vlekkeloos Nederlands spreekt - met Nederlandkunde (Dutch Studies), een nieuwe studie toegesneden op buitenlanders. Na een basisprogramma van twee jaar koos hij als afstudeervariant geschiedenis, met de VOC en het Verre Oosten als specialisatie. Die keuze was toevallig. Cheng: 'In 1988, toen het koninklijk bezoek aan China in zicht kwam, heb ik de historicus dr. L. Blussé van expansiegeschiedenis geholpen met de vertaling van zijn gelegenheidsbrochure 'Tribuut aan China', waarin vier eeuwen Chinees-Nederlandse handelsbetrekkingen de revue passeren. Wegens het studentenprotest op het Plein van de Hemelse Vrede is dat bezoek toen uitgesteld, maar wel het is boekje in China verspreid. Van het een kwam het ander en onder begeleiding van Blussé ben ik het Formosa-vertaalproject begonnen.'

Een aanstelling als aio of oio (assistent / onderzoeker in opleiding) zat er voor Cheng niet in. Uiteindelijk stak de KNAW (Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen) de helpende hand toe. Nadat in prof. Zheng Xuemeng van de universiteit van Xiamen een Chinese mede-begeleider was gevonden, kreeg Cheng vier jaar om passages uit de Generale Missieven te vertalen en annoteren. Van een promotie-onderzoek was op dat moment (officieel) geen sprake - daar is de Akademie niet voor. Cheng: 'Drie dagen per week toog ik naar het Rijksarchief in Den Haag om teksten af te schrijven, ik hield een ijzeren regelmaat aan. In het begin worstelde ik met het handschrift en ook het begrijpen van de missieven was lastig. Leestekens en hoofdletters leken soms willekeurig aangebracht, 'stadhuiswoorden' waren ontleend aan het Latijn en Frans en de spelling was fonetisch van aard. 'Tijdelijck' betekende toendertijd 'tijdig' en met 'Indianen' werden bewoners van de Indonesische archipel bedoeld.'

Gaandeweg het project wist Cheng zijn produktie op te voeren van 6 afgeschreven A4-tjes per dag tot 20 à 30. Alles handgeschreven, een laptop behoorde niet tot zijn uitrusting. 's Avonds schreef de volijverige kopieïst in de marge van zijn aantekeningen de Chinese vertaling, waarna hij zich achter de computer zette om alles in te voeren. Tussen de bedrijven door las hij algemeen wetenschappelijke literatuur over het Verre Oosten, hielp Blussé bij de opvang van Chinese studenten en hielp een boekje samenstellen waarin de bronnen van Slauerhoff's 'Chinese poëzie' worden beschreven. Cheng: 'Ik moet toegeven dat de hoeveelheid werk me enorm is tegengevallen, voor sociale contacten was weinig tijd. Tegelijk waren de Missieven fascinerende lectuur. Interessant vond ik het te lezen hoe Ming-loyalist en veldheer Zheng Chenggong, alias Coxinga, zijn netwerk opbouwt. Oppermachtig op zee, verjaagt hij in 1662 de Nederlanders van Formosa.'

Na afloop van zijn Akademie-aanstelling wisten Cheng en zijn begeleiders het gedaan te krijgen dat de Leidse universiteit, in casu het Centrum voor Niet-Westerse Studies (CNWS), een aio-plaats voor één jaar beschikbaar stelde om de geannoteerde vertaling uit te breiden tot een academisch proefschrift. Behalve Schipper, Blussé en voornoemde Zheng Xuemeng zit in de promotiecommissie, ten teken van wetenschappelijke verbroedering, ook prof. Cao Yonghe van de Academia Sinica uit Taiwan. Cheng: 'Sinds 1987, toen Taiwan de staat van beleg ophief, zijn de relaties met China sterk verbeterd. Daarvoor was het op bepaalde feestdagen de gewoonte elkaars grondgebied te beschieten. Maar Taiwan daadwerkelijk bezoeken, zit er voorlopig niet in.'

Na tien jaar Nederland hoopt Cheng zich in Leiden wetenschappelijk te verbreden. 'Ik hoef zo nodig niet terug, graag zou ik hier op het onderwerp doorgaan, bijvoorbeeld als postdoc. Natuurlijk is Nederland nooit je eigen land, maar als ik terugga ben ik, gezien de spectaculaire veranderingen daar, ook geen echte Chinees meer. Heb ik met mijn ontsluiting van een belangrijke bron China geen belangrijke dienst bewezen? Sinds de jaren dertig, toen Japanners een selectie uit de dagregisters van Batavia vertaalden, ben ik de eerste die een zo groot project tot een goed einde heeft gebracht. Dat is bijzonder en ik ben blij dat het af is.'

'Ik moet toegeven dat de hoeveelheid werk me enorm is tegengevallen'