Hoe de guillotine viel over het Landbouwschap

DEN HAAG, 7 DEC. De mannen van het eerste uur waren er maandag bij geweest toen de industrie- en voedingsbond van het CNV zich over de vraag boog of het nog zin had het Landbouwschap overeind te houden. Zij hadden nog meegemaakt dat het schap in mei 1954 in de Amsterdamse RAI werd opgericht en ze hadden bijna 42 jaar van de 'overlegeconomie' in de sector van de land- en tuinbouw van nabij gevolgd. Maar nu zeiden ze ook: “Hou hier maar mee op. We hebben hier niks meer te zoeken”, aldus woordvoerder J. Loosman van het CNV gisteren tijdens de 559ste en waarschijnlijk laatste bestuursvergadering van het Landbouwschap.

Het dagelijks bestuur liet het begin van de vergadering gisteren een half uur wachten voor een mogelijk laatste lijmpoging. Daarna probeerde voorzitter Jef Mares het nog een keer in een ultieme en 'klemmende' oproep de rijen te sluiten: “Verdeeldheid maakt meer kapot dan ons lief is”, sprak hij. Vervolgens was de beurt aan de secretaris om een brief van 'het management' van het schap voor te lezen, waarin de vergadering werd gesmeekt om in elk geval nog de laatste begroting goed te keuren, opdat de 260 werknemers van het schap niet helemaal in verwarring het volgend jaar ingaan. Maar toen viel de guillotine toch. Loosman: “Wij hebben besloten deze publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie zo zorgvuldig mogelijk te beëindigen”.

Zijn FNV-collega Van der Horst kon zich niet anders dan in vergelijkbare termen uitdrukken: “De vakbonden hebben 42 jaar lang geprobeerd het slagveld te voorkomen. Of minstens: dit slagveld te beheersen. We formuleerden gezamenlijke doelen en trachtten die samen te bereiken. Vaak ook door ze gezamenlijk te bevechten ten opzichte van derden. Steeds vanuit de gedachte dat een gezonde toekomst voor de land- en tuinbouw in het belang van beide partijen was”. Maar, zo besloot Van der Horst, liquidatie van het Landbouwschap is onontkoombaar geworden nu de werkgevers er blijk van hebben gegeven, “dat de mensen die het geld voor de tuinbouw in Nederland met hun handen dagelijks verdienen voor de werkgevers niet blijken mee te tellen”.

Die laatste bittere gevolgtrekking sloeg op de dinsdag gehouden vergadering van de werkgevers, die zijn gebundeld in de land- en tuinbouwfederaties LTO Nederland. Op die vergadering werd het na tien maanden bereikte principe-akkoord over een nieuwe CAO voor de tuinbouw van tafel geveegd door de leden. Deze CAO had de leidraad moeten zijn voor de andere collectieve arbeidsovereenkomsten binnen de agrarische sector.

LTO-voorzitter Doornbos zei gisteren het besluit van de bonden zeer te betreuren, maar dat wat hem betreft 'de stem van de achterban heilig is'.

Die achterban vindt de nieuwe CAO te duur. Voor de 55.000 werknemers in de agrarische bedrijven was in principe een CAO overeengekomen met een looptijd van 1 maart van dit jaar tot 1 januari 1998. Volgend jaar zou de werkweek teruggaan van 38 naar 37,5 uur, in 1997 naar 37 uur. Per 1 januari volgend jaar zouden de lonen met 1,6 procent omhoog gaan, het jaar daarna met 1 procent. In de loop van de CAO zou er geen prijscompensatie zijn en de arbeidstijden zouden flexibeler worden: gedurende vijftien weken zou er langer mogen worden gewerkt, dat is nu maximaal tien weken. Verder zou een minimumloon gaan gelden voor werkgelegenheidsprojecten en gelegenheidswerkers, zoals scholieren, studenten en huisvrouwen.

Maar dat alles is in de ogen van de werkgevers uiteindelijk te kostbaar gebleken. De vraag echter die onmiddellijk na de afgebroken vergadering werd opgeworpen was wat uiteindelijk duurder zal blijken te zijn, deze CAO of het gebrek aan 'overlegeconomie' dat in het Landbouwschap wordt gevoerd. Duidelijk is dat de land- en tuinbouw op dit ogenblik de Nederlandse overheid en in haar verlengde de Europese Unie als belangrijkste opponent ziet. Dat geldt voor de veehouders, die gruwen van het voorgenomen mestbeleid. Maar ook de tuinbouw zit minister Van Aartsen (landbouw) voortdurend op de hielen, omdat die de belangen van de tuinbouw - onder andere in Brussel - zou verkwanselen. Hij zou bijvoorbeeld meer moeten doen om de Zuideuropese concurrentie van de markt te houden. En verder zou hij de sector in bescherming moeten nemen tegen de oprukkende 'milieu-maffia'.

De werknemers in de landbouwsector - op de bedrijven van de 120.000 zelfstandige boeren en tuinders zijn er overigens slechts 55.000 mensen in loondienst - zijn tot op heden solidair met hun werkgevers, getuige bijvoorbeeld de mestacties. Maar het uiteindelijke CAO-debâcle, dat de afgelopen anderhalf jaar steeds meer ergernis heeft gewekt bij de bonden, zou wel eens voor een lelijke breuk in dat front kunnen zorgen. In dat geval hebben de ondernemers niet alleen de Nederlandse overheid en Brussel tegenover zich, maar ook de bonden. Het ligt immers niet in de lijn der verwachting, dat de werknemersorganisaties het alleen bij bittere woorden zullen laten. Acties op de bedrijven zou voor veel nu al kwijnende ondernemers de nekslag kunnen betekenen.

Pagina 23: Liquidatie van een omstreden instituut

LTO-voorzitter Doornbos zei het besluit van de bonden tot liquidatie van het Landbouwschap 'zeer te betreuren', hoewel het zijn organisatie was die vorige week nog de Commissie Hirsch Ballin installeerde. De commissie onder voorzitterschap van de oud-minister moet adviseren over 'de wijze waarop de belangen van de agrarische sector, zoals nu nog ondergebracht bij het Landbouwschap en diverse produktschappen in de toekomst kunnen worden behartigd'.

Met het oog op de toekomst was het Doornbos gisteren opgevallen dat de vertegenwoordigers van de bonden zozeer bij de historie van het schap hadden stilgestaan, terwijl naar zijn oordeel 'voortgaan op platgetreden paden in niemands belang is'. Of hij de liquidatie van het schap echt 'zeer betreurt' moet dan ook worden betwijfeld.

Hoe de taken van het Landbouwschap in de toekomst moeten worden uitgevoerd, en door welk orgaan, is allerminst duidelijk. Met de stap van de bonden wordt echter een eind gemaakt aan een instituut dat altijd omstreden is geweest.

Voor de Tweede Wereldoorlog al hadden katholieke politici zich hard gemaakt voor publiekrechtelijke organisaties. Daarin behartigden werkgevers en werknemers samen de belangen van een sector. De ideologie kwam voort uit de encycliek Rerum Novarum uit 1891 van paus Leo XIII, die verbroedering wenste van patroon en arbeider. Ook in Quadragesimo Anno, de encycliek van 1941 werd dat standpunt gepropageerd, zo citeerde Van der Horst gisteren ter vergadering.“Ofschoon de arbeid geen koopwaar is, maar de menselijke waardigheid van den arbeider erin gerespecteerd moet worden en arbeid derhalve niet als het eerste het beste artikel in de handel gebracht kan worden, is het toch bij de huidige stand van zaken juist vraag en aanbod op de arbeidsmarkt die het mensdom in twee partijen of kampen splitst. De onenigheid tussen die twee partijen doet de arbeidsmarkt als in een slagveld verkeren waar heftig gestreden wordt”.

Oplossing voor die eeuwig durende strijd was dus het publiekrechtelijk bedrijfsorgaan, het stokpaardje van de KVP. Hoewel vanuit sociaal-democratische hoek deze vondst als 'maatschappelijk onaanvaardbaar en reactionair' werd afgedaan, waren het toch de SDAP-ministers Sicco Mansholt (landbouw) en Hein Vos (economische zaken) die hun handtekening onder de wet op de bedrijfsorganisaties zouden zetten.

Dat was overigens meer uit praktische overwegingen. Nederland maakte een veeleisende wederopbouw door en wat de overheid kon overlaten aan de verschillende sectoren binnen de opkrabbelende economie was mooi meegenomen.

Het Landbouwschap kreeg dus tot taak binnen de sector verordeningen op te stellen en heffingen te innen. Daarnaast kreeg het de opdracht de overheid te adviseren en de belangen van land- en tuinbouw te behartigen.

In boerenkring is het schap echter altijd in meer of mindere mate beknord. Waren het niet de knellende verordeningen, dan was het wel de hoogte van de heffingen. Dieptepunt in de geschiedenis van het schap vormt zonder twijfel het conflict dat bekend staat als 'de affaire Hollandsche Veld' in maart 1963, waarbij het schap het aan de stok kreeg met een groep 'vrije boeren' in Drenthe. Ze hadden principiële bezwaren tegen de heffing en weigerden die te betalen. Het Landbouwschap liet niet over zich lopen en ging over tot ontruiming en verkoop van drie boerderijen, hetgeen uitmondde in een opstand van honderden boeren tegen de politie. Zwartste bladzij in het verslag van deze 'clash' was het afbranden van Klaas Hartmans boerderij.

Het schap is de afgelopen 42 jaar een paar maal drastisch gewijzigd van samenstelling, zoals in 1967, maar heeft altijd verzet van boeren gekend. Zo bezetten in februari 1990 akkerbouwers de burelen van het Landbouwschap uit onvrede met het graanbeleid. Een half jaar later kreeg het schap weer een advies om de structuur te vernieuwen. In '93 werd de organisatie verweten afspraken te hebben gemaakt met VROM over mest- en ammoniakbeleid. Daarnaast hebben organisaties als het Landbouwschap steeds te horen gekregen dat ze meer kosten dan ze feitelijk opbrengen, zoals afgelopen zomer nog van de econoom professor dr. A. Heertje.

Er is niet aflatend aan de poten van publiekrechtelijke organisaties gezaagd. Minister Van Aartsen deed dat deze zomer nog door zich te laten ontvallen het instituut 'niet meer van deze tijd te vinden'. Dat de definitieve ontmanteling gisteren feitelijk is begonnen met de mededelingen van de bonden, is toch nog sneller dan verwacht.