Het zeiltuig bij de Grieken en Romeinen

De expeditie van Napoleon naar Egypte (1798-1802) moet uit militair oogpunt als een totale mislukking worden beschouwd, al moet gezegd worden dat de strategische conceptie op zijn minst van durf en visie getuigde. Het idee was dat dit een manier zou kunnen zijn om een wereldrijk à la Alexander de Grote te stichten dat de doodssteek vormde voor het Engelse koloniale imperium.

Napoleon had een staf van 167 savants meegenomen die onmiddellijk begonnen met de eerste systematische studie van het land Egypte en zijn overblijfselen uit het verleden. De resultaten werden gerapporteerd in de tiendelige Discription de l'Egypte die in 1807 begon te verschijnen: een briljant begin van de egyptologie.

In de Description wordt voor het eerst een sindsdien beroemd reliëf op de buitenmuur van de graftempel van Ramses III in Medinet Habu weergegeven, dat een voorstelling geeft van een zeeslag - volgens sommigen de eerste in de geschiedenis. De Egyptenaren verijdelden bij die gelegenheid (waarschijnlijk in 1178 v.Chr.) een invasiepoging die gelijktijdig te land en te water werd uitgevoerd door de 'Zeevolkeren'. Dit is een moderne verzamelnaam voor het bondgenootschap van volksstammen die elk met name worden genoemd, maar waarvan de herkomst niet precies bekend is. De opvatting dat het uit Anatolië en de Egeïsche zee verdreven bevolkingsgroepen zouden zijn, blijkt volgens Noort, vastgelegd in zijn boek Die Seevölker in Palästina uit 1994, niet houdbaar. Redelijk vaststaand is dat een van de stammen die aan deze invasiepoging deelnam, de Plst, later opging in de Kanaänitische bevolkingsgroep die toen al in de kuststrook bij Gaza woonde, en daar ook zijn naam aan gaf. Uit het reliëf is duidelijk dat de slag niet op zee plaatsvond, maar ergens in de oostelijke Nijldelta, misschien in de nabijheid van de Ramsesstad Piramesse (Tell el-Dab'a).

Het zeiltuig van de vijf schepen van de aanvallers was hetzelfde als dat van de vier van de verdedigers die in het reliëf worden getoond. Ze waren alle getuigd met een zeil dat was bevestigd aan een enkele naar onder gebogen ra. Voor het gevecht zijn de zeilen met touwen, die thans 'gordings' worden genoemd, opgetrokken naar de ra. Het Egyptische schip wordt, zoals de drie andere, geroeid, zoals ons niet verbaast, maar die van de Zeevolkeren zijn zonder roeiers weergegeven; misschien werden ze gepeddeld als ze niet zeilden. Het vermoeden ligt voor de hand dat de Egyptenaren dit zeiltuig kort tevoren hadden overgenomen, misschien wel van de Zeevolkeren zelf, waar ze in ieder geval al eerder contact mee hadden. Deze overname was blijkbaar niet blijvend, want we zien dit type razeil hierna niet meer afgebeeld op Egyptische monumenten, wel weer het dubbele razeil.

Het zeiltuig met een enkele ra dat in een veel latere periode, de 6de eeuw voor onze jaartelling, in Griekenland werd gebruikt, en later ook door de Romeinen, lijkt een verdere ontwikkeling te zijn van de zeer originele zeiltuigage van de Zeevolkeren. Door middel van de gordings - meestal meer dan de vier op de schepen van de 'Zeevolkeren' - die van de bovenkant van de ra naar het onderlijk van het zeil liepen, kon het zeiloppervlak worden geminderd bij het zeilen met een harde wind achter. Hierbij werd het gehele onderlijk ('lijk': versterkte rand van het zeil), speciaal het middendeel opgetrokken. Dit is een detali dat op vele scheepsafbeeldingen op Griekse vazen goed is te zien. Van de ra liepen de gordings naar het dek van het schip waar ze bediend werden.

De verhandeling 'Mechanica' die aan Aristoteles (384-322) wordt toegeschreven, bevat een passage over het gebruik van deze gordings, waarmee ook de vorm van het zeil veranderd werd. Bij het aan de wind zeilen werd het lijk van het zeil aan de lijzijde opgetrokken, waarmee het deel van het zeil verdween dat anders nadelig zou werken bij het aan de wind zeilen. Helaas kennen we geen afbeelding waar een aan de wind zeilend schip met deze tuigage op te zien is, maar een aanduiding hiervan, een iets opgetrokken zeil aan de lijzijde, zien we bij de afbeelding van een van de twee Romeinse koopvaarders op het 'Torlonia'-reliëf (circa 200 AD), waar ook de lei-ogen voor de gordings die in de zeilen waren genaaid duidelijk zichtbaar zijn.

Het is overigens merkwaardig dat een vierkant zeil met gordings zoals op deze oude schepen, in het leerboekje Het tuigen van schoenerschepen dat in 1920 van de hand van Th. Lehmann (vader van de scheepsarcheoloog dr L.Th. Lehmann) uitkwam, als een nieuwigheid wordt beschreven. Waarschijnlijk dook het toen opnieuw op. Dat bepaalde technische voorzieningen in het zeiltuig soms veel ouder zijn dan men zou denken blijkt ook uit het feit dat het bemanningslid achter de ra dat op het tweede schip van het Torlonia-reliëf bezig is het zeil in te nemen, met zijn voeten op een onder de ra hangende 'paard'lijn staat, iets dat verder op niet één afbeelding uit de Oudheid of de Middeleeuwen is te zien; het werd pas in de 17de eeuw algemeen.

Dat het tuig van deze Griekse schepen was ingericht om er mee aan de wind te kunnen zeilen volgt uit passages in de literatuur. De romp was hiervoor ook geschikt zoals blijkt uit de onderwaterarcheologie en experimenten met een replica. De romp van het 'Kyrenia-schip', dat in 1967 voor de noordkust van Cyprus werd gevonden, was voor ongeveer driekwart nog behouden, zodat het mogelijk bleek een kopie ervan te bouwen. De romp was fraai gelijnd en van een kiel voorzien. Het hout van het originele schip is met behulp van de C-14 methode gedateerd op ongeveer 389 ± 44 v.Chr. De amandelen die het meevoerde, waren jonger 288 ± 62 v. Chr. Het schip moet dus ongeveer honderd jaar oud zijn geweest toen het zonk.

Het tuig dat niet bij het wrak was aangetroffen, werd alleen op basis van afbeeldingsmateriaal gereconstrueerd als een vierkant zeil met gordings. Dit is geheel verantwoord. De reconstructie gelukte goed - de 'Kyrenia II' blijkt verrassend hoog aan de wind te zeilen. Het is niet een snelzeiler, maar dat werd ook niet verwacht van deze kleine koopvaarder van 14 meter lengte en 4 meter breedte. Als het schip werd geroeid kon een snelheid van twee knoop worden bereikt, onder zeil hing dit uiteraard af van de windkracht. Bij een bries van 5 tot 6 op de schaal van Beaufort liep het scheepje een vaart van 3 tot 6 knoop, varend voor een storm uit liep dit op tot 11 knoop. De antieke tuigage bleek in de praktijk goed handelbaar.

Tweemasters bij de Romeinen zien we afgebeeld vanaf de tweede eeuw voor de jaartelling. Een speciaal type tweemaster, dat naar het schijnt na het begin van de jaartelling in de Romeinse scheepvaart tot ontwikkeling kwam, was uitgerust met een kort, sterk voorover hellend mastje waaraan een klein vierkant zeil, de 'artemon', bevestigd was.

We kunnen de functie van dit artemon-zeil zonder moeite begrijpen: het diende ervoor de boeg van het schip te wenden als het schip ging 'halzen', dat wil zeggen dat het vóór de wind varend van de ene boeg over de andere ging liggen. Het wenden waar de zeilers onder ons mee zijn vertrouwd gaat tegen de wind in; daar is het langsscheepse tuig bij uitstek geschikt voor, maar het ratuig niet.

In het bijgaand schema is aangegeven hoe met behulp van de artemon het voorschip in de gewenste richting werd getrokken. Een vereiste hierbij is dat het grootzeil de artemon niet afdekt wat de wind betreft. We zien inderdaad op een aantal afbeeldingen dat het onderlijk van het grootzeil hoog is uitgesneden, zodat in ieder geval de achterlijke wind de artemon trof. Als het onderlijk niet deze vorm had, was het bij het halzen noodzakelijk de schoten van het grootzeil zover op te vieren dat de wind onder het zeil door op de artemon blies.

Een verdere uitbreiding van de tuigage in deze periode waren driehoekige zogenaamde 'klapmutsen' boven het grootzeil, zoals te zien op het Torlonia-reliëf. Vaak werden deze op bijzondere wijze gekleurd, zodat men de schepen van verre al kon identificeren. Dit soort klapmutszeilen zijn tot in de Renaissance en later in gebruik gebleven; we zien ze bijvoorbeeld afgebeeld bij Carpaccio, ongeveer 1480.

Op vrij late Romeinse reliëfs komen we nog andere typen zeiltuig tegen. Het spriettuig vanaf de tweede eeuw voor de jaartelling, het driehoekige latijnzeil vier eeuwen later. Het lattenzeil, dat we gewoonlijk met Chinese jonken associëren, is van twee afbeeldingen uit de Romeinse keizertijd bekend, een reliëf en een mozaïk, die beide uit het gebied tussen Moezel en Rijn afkomstig zijn, daterend van de tweede of derde eeuw AD. Het lattenzeil is een provinciale ontwikkeling in het Romeinse rijk geweest, maar het latijnzeil en het spriettuig waren dat waarschijnlijk ook. Als ze daar hun voordeel mee konden doen namen de Romeinen graag over wat ze aan technische nieuwigheden in de veroverde provincies aantroffen.