Gynaecoloog vond ruzie om geld belangrijker dan patiënt

DEN BOSCH, 7 DEC. “Hoe kan iemand met zo'n mooi beroep als dat van gynaecoloog, iemand die het leven inleidt, het verkiezen een ordinaire ruzie belangrijker te vinden dan de gezondheid van zijn patiënten? Hoe kan iemand zo op zichzelf gericht zijn, zo gefixeerd op een banale ruzie over de verdeling van de winst in de maatschap?”

Dit zei officier van justitie E. Stokman gisteren voor de rechtbank in Den Bosch in de strafzaak tegen een voormalige gynaecoloog van het Elkerliek Ziekenhuis in Helmond. De arts werd dood door schuld ten laste gelegd. De 51-jarige gynaecoloog heeft volgens het openbaar ministerie te weinig verantwoordelijkheid genomen bij de behandeling van een zwangere vrouw die wegens groeiachterstand van een ongeboren tweeling was opgenomen in het ziekenhuis. De beide kinderen werden te laat via een keizersnede ter wereld gebracht, en bleken te zijn overleden. De officier eiste gisteren ontzetting uit de uitoefening van het beroep van gynaecoloog.

De zaak tegen de gynaecoloog maakt deel uit van een slepende kwestie in het Helmondse Elkerliek Ziekenhuis, waar jarenlang niet of nauwelijks werd samengewerkt door vijf gynaecologen, als gevolg waarvan volgens een rapport van de inspecteur voor de gezondheidszorg in Noord-Brabant en Zeeland, H. Plokker, de voorwaarden voor de levering van adequate zorg ontbraken. De maatschap was volgens de Bossche rechtbankpresident verdeeld in twee kampen sinds de artsen acht jaar geleden werden gedwongen samen te gaan werken na een fusie. Het ene kamp verweet het andere niet hard genoeg te werken. De twee partijen communiceerden over hun patiënten alleen via arts-assistenten en verpleegkundigen. In het ziekenhuis werken nu vier andere gynaecologen.

De aanklacht tegen de gynaecoloog spitste zich gisteren toe op de vraag of deze in de avond en nacht van 12 en 13 november 1992 maatregelen had moeten treffen die het leven van de tweeling hadden kunnen redden. De arts zat tijdens zijn nachtdienst thuis en besloot niet naar het ziekenhuis te gaan om nader onderzoek te doen of operatief in te grijpen, hoewel een arts-assistent hem tot twee keer toe had gebeld met verontrustende uitslagen van een cardiotocogram (CTG) bij de zwangere vrouw. Toen hij de tweeling uiteindelijk toch door operatief ingrijpen ter wereld had gebracht, bleek dat ten minste een van de twee kinderen bij eerder ingrijpen gered had kunnen worden. Het andere kind was vermoedelijk enkele uren eerder overleden.

De gynaecoloog is tijdens de onderzoeken van de 'Fona-commissie' van het ziekenhuis (die fouten en 'near accidents' onderzoekt), van de inspectie en van de rechter-commissaris de eerste geweest om zijn handelen in verband te brengen met de slechte verstandhouding met zijn collega's in de maatschap. Hij verklaarde zich “terughoudend” te hebben opgesteld aangezien het een patiënte betrof van zijn collega Berkhout, met wie hij het slecht kon vinden. Deze had overdag dienst gehad en geen aanleiding gezien tot operatief ingrijpen. Verder was en is de gynaecoloog, die inmiddels een praktijk heeft als gynaecoloog in Duitsland, van mening dat hij op grond van de hem beschikbare informatie destijds niet naar het ziekenhuis had hoeven te gaan. “Het is me niet gevraagd, en ik weet ook niet wat ik er had moeten doen”, aldus verklaringen van de vrouwenarts in de processtukken. De gynaecoloog was niet op de zitting aanwezig.

Getuige-deskundigen, de Fona-commissie van het ziekenhuis en het Medisch Tuchtcollege dat de gynaecoloog eerder tot een geldboete veroordeelde, zijn van mening dat de gynaecoloog eerder naar het ziekenhuis had moeten komen om zich persoonlijk van de toestand van de patiënte en de ongeboren kinderen op de hoogte te stellen, aanvullend onderzoek te doen en eventueel operatief in te grijpen.

De advocaat van de verdachte, R. Fibbe, vroeg vrijspraak voor zijn cliënt. Hij noemde de beschuldiging van dood door schuld “innerlijk tegenstrijdig” omdat van schuld aan de dood van het eerste kind ook gesproken kan worden in het geval van de gynaecoloog die overdag geen reden tot ingrijpen had gezien, en omdat van het tweede kind niet is vast komen te staan of het kort voor, tijdens of kort na de bevalling is overleden. Als er al een aanklacht had moeten zijn, dan had die volgens de advocaat gericht moeten worden tegen de levensbeëindiging van een ongeboren kind. In dat geval, aldus de raadsman, had de beschuldiging moeten zijn het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de zwangere vrouw.

Uitspraak op 20 december.