Gezond en wel

Menno Reijneveld. The measurement of local public health. 164 blz.

Promotie 28 november 1995. Universiteit van Amsterdam. Promotor prof.dr. L.J. Gunning-Schepers.

Sinds enkele jaren is de Wet Collectieve Preventie Volksgezondheid van kracht, die gemeenten verplicht de gezondheidstoestand van hun bevolking in kaart te brengen en preventieve maatregelen te nemen ter bescherming en bevordering van de volksgezondheid. Dat lukt allemaal heel aardig als het gaat om de bestrijding van infectieziekten, het toezicht op de hygiëne in restaurants of de uitvoering van de jeugdgezondheidszorg op scholen. Maar het wordt een stuk moeilijker als het gaat om bijvoorbeeld het tegengaan van roken, het bevorderen van veilig vrijen of het stimuleren van gezonde voedingsgewoontes. In hoeverre mogen mensen trouwens ook lastig gevallen worden met boodschappen, waar ze niet om gevraagd hebben en die soms betrekking hebben op wel erg persoonlijke onderdelen van het bestaan?

Er is inmiddels al een hele literatuur ontstaan met beschrijvingen van 'Gezonde Steden'-projecten, waarin met wisselend succes is geprobeerd risicogroepen tot gezonder gedrag te brengen, door het geven van informatie, door een zeer directe en persoonlijke benadering, door het inzetten van groepen van lotgenoten of betrokkenen, door het belonen van alternatief en gezonder gedrag, door het laten zien van goede voorbeelden. Er lukt ook echt wel wat, maar de inspanning is vaak erg groot en het resultaat niet blijvend. Het is eigenlijk een wonder, dat in nauwelijks meer dan tien jaar roken bijna alle status heeft verloren en het gedrag van een - hardnekkige - minderheid is geworden. In minder dan de helft van die tijd raakte ook het veilig vrijen effectief ingeburgerd, maar de acceptatie van een gezonder voedingspatroon blijft al tientallen jaren aarzelend. In veel steden, ook in Amsterdam, is men nu al enige tijd bezig in bepaalde wijken en voor bepaalde groepen gerichte gezondheidsbevorderende programma's op te zetten. Het zou aardig zijn als over een paar jaar een jonge onderzoeker verder zou gaan waar Reijneveld is opgehouden en zou nagaan of er ooit werkelijk gebruik gemaakt is van de gegevens uit dit bevolkingsonderzoek en of er ook merkbaar en meetbaar sprake is van een 'verschil' in de gezondheidstoestand van de Amsterdamse bevolking.