Einde status aparte katholiek onderwijs bisdom Roermond

Het werd wel 'de schoolstrijd' genoemd. Dat wekte de indruk dat al degenen die in Limburg bij het katholieke onderwijs waren betrokken elkaar, dekking zoekend achter bank of bord, op leven en dood bevochten. En alsof de inmiddels vertrokken bisschop dr. J.M. Gijsen aan alle scholen die niet voldeden aan zijn criteria voor de katholiciteit, de jure het predikaat r.k. ontnam. Maar eigenlijk ging het tussen 1987, toen Gijsen zijn eigen Algemeen reglement voor het katholiek onderwijs in het bisdom Roermond (Arkor) aankondigde, en 1 januari 1993, toen het van kracht werd, om niets. Van het daadwerkelijk ontnemen van het predikaat, noch van het aanstellen van een bisschoppelijk gedelegeerde in de schoolbesturen, is het ooit gekomen. Van de ongeveer 600 katholieke Limburgse scholen bleken er minder dan tien bereid zich door hun bisschop de wet te laten voorschrijven. Aan een van Gijsens voorwaarden - toezicht namens de kerk - was bij een aantal al voldaan omdat het schoolbestuur hetzelfde was als het kerkbestuur.

Maar dat ook dàt in de praktijk anders uitpakte dan Gijsen voor ogen stond, bewijst de gang van zaken in de basisschool van Slenaken in het Zuid-Limburgse Heuvelland. Pastoor dr. J. Crombach, die tegelijkertijd voorzitter is van het kerk- en van het schoolbestuur: 'Voor ons gold en geldt nog steeds noch het Arkor- noch het Arko-reglement (dat is het reglement van de andere bisdommen, m.p.). Wij hebben geen reglement nodig omdat onze school automatisch katholiek is en we zelf wel uitmaken wat dat in de praktijk betekent. In het dorp is maar één school en daar zitten voor de helft leerlingen op zonder welke kerkelijke binding dan ook.'

Toen Gijsens opvolger, bisschop F. Wiertz, vorig week bekend maakte dat voor de Limburgse katholieke scholen voortaan het Algemeen reglement voor het katholiek onderwijs (Arko) geldt, waarvan het toezicht ligt bij de Nederlandse Katholieke School Raad (NKSR), werd er door de betreffende instanties slechts voor de vorm gesproken van 'opluchting'. Er was, zo verzekeren ingewijden, geen school te vinden waar leraren, bestuurders (laat staan leerlingen) vreugdedansjes uitvoerden of waar een heilige mis van dankbaarheid is opgedragen. Rector L. Spronck van het Maastrichtse Jeanne d'Arclyceum, dat zich al lang niet meer afficheert als katholiek maar als algemeen christelijk: 'We hebben er kennis van genomen, ook van de stap van bisschop Wiertz die we verstandig vinden, maar bij ons is het nooit een kwestie geweest.'

Directeur J. Janssen van de vereniging Middelbaar Onderwijs Limburg (MOL), een overkoepeling van vijftien middelbare en van oorsprong katholieke scholen: 'In de jaren tussen 1987 en 1993 is er op alle scholen niks veranderd. De doorsnee katholieke school in Limburg is een school die net als alle andere midden in de jaren negentig staat.' Directeur B. Janssen van het Algemeen bureau katholiek onderwijs, dat optreedt voor de NKSR: 'Het reglement van bisschop Gijsen heeft bij de scholen nooit erg veel weerklank gevonden. Belangrijker dan de juridische kant van de zaak is dat bisschop Wiertz een positieve stap heeft gezet om de betrekkingen met de katholieke scholen te herstellen.'

Bisschop Gijsen vond de meeste scholen niet katholiek genoeg. Hij wilde dat ze hun statuten zo wijzigden dat de mogelijkheden werden geopend voor de aanstelling in het bestuur van een bisschoppelijke gedelegeerde die het recht van veto zou krijgen in belangrijke, de katholiciteit betreffende kwesties. Hij gaf ze daartoe tot 1 januari 1993 de tijd. Gijsen eiste van de leerkrachten bovendien een voorbeeldige katholieke levenswandel, wat er op neer zou komen dat voor ongehuwd samenwonenden, gescheiden of homofiele leerkrachten geen plaats meer was.

Het merkwaardige echter is dat over deze beide zaken in de van december 1992 daterende, door Gijsen uitgegeven 'Verklaring vanwege de bisschop van Roermond inzake het katholiek onderwijs' met geen woord werd gerept. In die verklaring, zo lijkt het, schreef Gijsen de scholen min of meer af als instituten om 'te evangeliseren'. Het primaat daarvoor legde hij bij de parochiegeestelijkheid en bij de ouders. 'Hoe katholiek een school ook mag heten', aldus Gijsen, 'het gezin moet het kind met het evangelie bekend maken.'

Het gros van de Limburgse katholieke scholen ondertekende vervolgens het Algemeen reglement voor het katholiek onderwijs (Arko), dat door de andere zes bisschoppen wordt onderschreven. De realist Wiertz heeft nu het eigen reglement ingetrokken omdat, zoals hij in een toelichting zei, 'de invoering ervan niet goed heeft uitgepakt'. De koerswijziging van Wiertz werd al eerder duidelijk toen hij gesprekken begon met de in Heerlen gevestigde Universiteit voor theologie en pastoraat, die in voortdurende onmin leefde met Gijsen. Wiertz zegt zo spoedig mogelijk de dialoog met de katholieke scholen op gang te willen brengen. Een zogenoemde klankbordgroep zal daarbij behulpzaam zijn.

'Vandaag, de dag dat ik deze brief schrijf (22 november, m.p.)', aldus Wiertz aan de katholieke Limburgse scholen, 'is het de feestdag van St. Caecilia, een jong meisje dat haar leven gaf voor haar geloof in Jezus Christus. Van u en van mij wordt niet onmiddellijk de marteldood geëist. Wel wordt ons gevraagd om de kar van de verhoudingen tussen katholiek onderwijs en bisschop weer vlot te trekken. (...) Het gaat er uiteindelijk om dat onze jongste generaties een katholiek onderwijs ervaren dat zo inspirerend en verrijkend is dat ze hun kinderen later ook weer naar katholieke scholen laten gaan.'