Een onaantrekkelijk soort deugd

Het Leger des Heils stuurde een eindejaarsbrief. Die begint met de vraag: “Is december een feestmaand?” en eindigt, in een P.S., met de oproep: “Laat uw medemens niet zitten. Gebruik de acceptgiro!” Wat er tussenin staat laat zich raden: dakloosheid, kinderen zonder aandacht, mishandeling, eenzaamheid, ziekte. En dat ene zinnetje: “Dagelijks verlenen wij vanuit ons geloof aan Jezus Christus hulp aan mensen, wie zij ook zijn of wat zij ook denken.” Dat is mooi en ruim van het Leger des Heils, en men voelt zich beschaamd voor alle keren dat men iemand met zo'n hoedje op met haar Strijdkreet heeft laten barsten. Maar tegelijkertijd ook niet, want die taal en die houding, die smaken ons niet.

Het is enigszins hetzelfde probleem als met Moeder Theresa, waar Bas Heijne onlangs in het Zaterdags bijvoegsel van deze krant over schreef. Het is moeilijk wat zij doet ook nog geweldig te vinden als daar allerlei opinies bij horen die wij liever niet zouden willen delen. Geen anticonceptie, wel geslachtofferde vrouwen helpen, tegen abortus, wel dakloze kinderen ondersteunen. Het lijkt of Moeder Theresa de problemen in stand wil houden die ze vervolgens met volle inzet gaat proberen op te lossen.

We zouden liever hebben dat zij, en dat geldt voor het Leger des Heils ook, eerst eens wat andere idealen, wat modernere meningen omhelsde - daarna zouden wij dan graag donateur en toejuicher worden van deze organisatie. Het ingewikkelde is dat noch Moeder Theresa, noch het Leger des Heils zònder die onaangename overtuigingen de zo gewaardeerde hulp zouden bieden. Dankzij hun geloof, dat zij op een tamelijk onverbiddelijke en dogmatische manier belijden, zijn de heilsoldaten en de medewerkers van Moeder Theresa in staat om te doen wat zij doen.

Maar het blijft een onaantrekkelijk soort deugd dat ons daar voor ogen wordt getoverd. Het is de deugd waar de Poolse dichter Zbigniew Herbert over schreef, 'die dreinende oude vrijster', die begrijpelijk genoeg niet de uitverkorene is van “echte mannen/ de generaals/ atleten van het gezag/ despoten”. Ze ziet er niet uit, is ouderwets (“mijn God was ze maar een beetje jonger een beetje mooier ging ze maar mee met de tijdgeest”), het zou zo veel makkelijker zijn als ze wat meer glamour had. Maar zij “herhaalt haar grote Nee/ onuitstaanbaar koppig/ belachelijk als een vogelverschrikker/ als een anarchistendroom/ als heiligenlevens”.

Het Leger des Heils lijkt wel bij uitstek de belichaming van die mottebalgeurige deugd, vervuld van eigen gelijk, met brave beweringen als dat zij “blijven geloven in mensen, wie of wat ze ook zijn”. Volautomatisch gaan de gedachten uit naar de vernielers, verkrachters, domme agressievelingen en lachende sadisten waar de wereld tamelijk vol mee zit. Wat moeten we daarin geloven? En nu we het er toch over hebben: waarom moeten vijftienjarige meisjes per se een kind krijgen dat noch door henzelf noch door de verwekker gewenst is? Waarom moeten homoseksuelen een leven van seksuele onthouding leiden? Veel gedachtengoed van de hulpverleners zou je niet graag per acceptgiro willen ondersteunen.

Maar dan is het een koude nacht en er zit iemand ergens in een steeg op de grond op een deken die vraagt: heeft u sigaretten? En in het beste geval heb je die en geef je, overstromend van zowel schuldgevoel als medelijden als afkeer, royaal het hele pakje en vooruit, ook nog wat geld nodig? Waarna de beschaamde weldoener weer zo snel mogelijk uit dit beklemmende leven naar het eigen huis verdwijnt waar de brief van het Leger des Heils op tafel ligt die roept dat het niet op kan in december, zo feestelijk als het is. Maar dat dat niet voor iedereen geldt. Heel graag zou men het Leger des Heils eens een flinke klap in het schijnheilige gezicht geven.

Intussen gaan de Heilsoldaten met soep langs de straten, bieden een bed, maken een praatje. Moeder Theresa en haar helpers hebben zojuist iemand het leven gered. Op een kalendertje voorzien van vetgedrukte bank- en gironummers staat: “Geïnspireerd door het Evangelie staan wij met raad en daad klaar voor alle mensen”.

Die taal, dat 'raad en daad', het is onuitstaanbaar. Toch. Misschien moeten we niet alles tegelijk willen. Moeten we proberen de zo graag gegeven raad te vergeten en onze bewondering te richten op de verrichte daden. En maar niet te gretig met de 'echte mannen' mee zuchten: was ze maar een beetje jonger, een beetje mooier.