Benedict Anderson over het nationalisme; Verdacht maar aantrekkelijk

Tien jaar geleden interesseerde niemand zich nog voor het fenomeen nationalisme. Maar ineens was het er weer, bleek het een dringend probleem, en toen kwam het goed uit dat twee jaar daarvoor, in 1983, twee kleine handzame boekjes over het onderwerp verschenen waren die tot dan toe in de schappen waren blijven staan. Het ene was van Ernest Gellner, Nations and Nationalism; het andere heette Imagined Communities, geschreven door Benedict Anderson. Sinds '85 zijn er honderden, zo niet duizenden titels over nationalisme gepubliceerd, maar de voorsprong van de twee is nooit teniet gedaan.

Beide boden nieuw inzicht. Voor de onlangs overleden Gellner was nationalisme een moderniseringsideologie, een noodzakelijk bindmiddel voor een industriële samenleving die in haar economisch bestaan alleen maar gehinderd kon worden door oude loyaliteiten aan familie, dorp en godsdienst. Nationalisme verklaard vanuit zijn functie.

Anderson zag het een slag anders. De kracht van het nationale sentiment stelde hem voor raadsels. Niemand kan al zijn landgenoten persoonlijk kennen, maar toch heeft iedereen een beeld van die anderen, van wat ze gemeenschappelijk hebben - ook al is dat meestal niet zo een-twee-drie te omschrijven. In die 'verbeelding' (iets anders dan 'inbeelding') is de natie soeverein, egalitair en solidair - een kameraderie van miljoenen. Uiteindelijk is het die opvatting van broederschap, zo schreef Anderson, die het mogelijk maakte dat zoveel mensen in de laatste twee eeuwen bereid waren “niet zozeer om te doden maar om te sterven” voor zo'n beperkt idee als de natie.

Anderson zocht naar de manieren waarop de verbeelding van abstracte saamhorigheid tot stand kon komen, en vond die in moderne fenomenen als het gedrukte woord, landkaarten, volkstellingen en musea. De ene nationale verbeelding lokte de andere uit, en er werd mee gemanipuleerd. Het is nationalisme verklaard uit geschiedenis.

“Al die boeken over nationalisme van de laatste tien jaar beschrijven het als een sociale constructie, een bedenksel. Interessant dat dit nu gebeurt en dat het de voorafgaande tweehonderd jaar over het hoofd is gezien”, zegt Benedict Anderson (1936) in de lobby van een Amsterdams hotel. Het is een man met een gedrongen gestalte en ironische oogopslag, die het zich kan permitteren om onder alle omstandigheden met zachte stem te spreken. “Nationalisme is verdacht, maar ook aantrekkelijk. Mensen kunnen zielsveel van hun land houden - een zelfopofferende liefde vaak. Als je nu zegt dat het allemaal bedacht is, dan maak je dat alleen maar onbegrijpelijker. Ook voor Gellner was nationalisme niet meer dan een uitvinding - maar als hij zich gedeprimeerd voelde dan deed hij zijn deur in Cambridge op slot en draaide hij Tsjechische volksliedjes. Met zijn eigen theorie valt dat niet uit te leggen.”

Verbeelde gemeenschappen

Er zijn inmiddels veel vertalingen van Imagined Communities uitgekomen. Meestal op initiatief van links georiënteerde uitgevers die menen dat het bij vlagen heel poëtische boek in hun land van nut zal zijn. Er is er zelfs een in het Servo-Kroatisch. Een maand geleden verscheen het Nederlandse Verbeelde gemeenschappen, waar Anderson eigenlijk helemaal niet tevreden mee is, want hij heeft er heel merkwaardige vertaalfouten in zien staan. Tenslotte leest hij Nederlands, sinds hij in de jaren zestig als antropoloog in Indonesië werkte. En zo'n titel: 'verbeeld' maakt een wat bedachte indruk. “Bij 'imagined' moet je aan imagine van John Lennon denken - dat is toch wat anders.”

Hoe komt iemand op het idee van een 'verbeelde gemeenschap'? Anderson kan het niet exact reconstrueren. Hij bedenkt weinig vooraf, schrijven lukt vaak voor lange tijd helemaal niet, en dan ineens gaat het achter elkaar. Hij schreef dit boek in ruim twee maanden tijds, “zonder er echt bij na te denken”. De titel bedacht hij pas achteraf.

“Maar ik had in die tijd wel jarenlang college gegeven over romans. En als classicus, wat ik van oorsprong ben, was me opgevallen dat er in moderne romans iets gebeurt dat ondenkbaar is in klassieke teksten. Dat is het idee van gelijktijdigheid van allerlei verwikkelingen, terwijl de personages in die verschillende gebeurtenissen elkaar niet per se persoonlijk hoeven te kennen. In klassieke teksten kom je geen passages tegen die beginnen met meanwhile (intussen). In de moderne roman bestaat een opvatting over tijd en gemeenschap die dat wel mogelijk maakt.”

Het is de gedachte van een tijd die aan de hand van kalender en klok wordt gemeten, en het idee van een groep mensen die elkaar nooit in levende lijve zullen ontmoeten maar elkaar toch menen te kennen als leden van een denkbeeldige gemeenschap. De lezer maakt daar ook deel van uit, anders zou hij er niets in kunnen herkennen, laat staan dat hij een soms heftige emotionele betrokkenheid zou kunnen voelen.

Op zekere ochtend, vertelt Anderson, verbond hij het idee van het lezen van een roman met het besef van burgerschap. Niets drukt dat beter uit dan de krant. Een krant staat vol gebeurtenissen die ogenschijnlijk los van elkaar staan: een ramp hier, een toespraak daar en een ontdekking elders. Maar er zijn belangrijke verbanden te leggen. De eerste is de datum, misschien wel het belangrijkste gegeven in een krant: daarmee wordt het gestaag voorschrijden van de tijd weergegeven. “Een krant is als een roman, waarbij de auteur ieder idee van een samenhangende plot heeft laten varen.” Soms zijn bepaalde personen 'in het nieuws', dat wil zeggen ze maken op bepaalde dagen deel uit van de plot. Als er een tijd geen nieuws over ze is, dan verwacht niemand dat ze zijn opgehouden te bestaan, maar dat ze, net als in een roman, tezijnertijd wel weer eens in de plot zullen opduiken - op een bepaalde dag van een maand in een jaar.

Een ander gegeven, zegt Anderson, is dat de krant als een boek fungeert: er worden honderduizenden, soms miljoenen van verspreid, en iedereen weet dat. Het zijn eendags-bestsellers. Het vrijwel gelijktijdig lezen van hetzelfde boek is volgens Anderson als een massa-ceremonie te beschouwen. “Wat ik nog steeds zo schitterend vind”, zegt hij, “is die uitspraak van Hegel, die zei dat voor de moderne mens de krant als ochtendgebed fungeert.” Het lezen van het ochtendblad is het dagelijks ritueel dat het hechte bestaan bevestigt van een denkbeeldige gemeenschap van mensen die elkaar zelden werkelijk tegen het lijf zullen lopen.

Anderson gelooft niet dat de televisie die rol werkelijk heeft overgenomen. “Televisie gaat maar door, ook al kijk je er niet naar. Een krant moet je lezen om hem tot je te laten spreken. Het kost tijd, er is enige intelligentie voor nodig, en een krant kun je overal mee naar toe nemen. Je leest hem in stilte, alleen, en toch weet je zeker dat je juist in die handeling met tallozen verbonden bent.”

Geheugen

Bij zo'n nationale verbeelding hoort een geheugen: wat de natie zich herinnert, maar ook wat het vergeet. In zijn boek citeerde Anderson de 19de eeuwse historicus Renan die in 1882 schreef: “Het wezen van de natie is dat alle inwoners veel gemeenschappelijk hebben, en ook dat iedereen veel vergeten is. (...) Iedere Franse burger moet de Sint Bartelomeusnacht vergeten zijn, en ook de slachtpartijen van de Midi in de 13de eeuw.”

“Ik citeerde Renan zonder ook maar enigszins te begrijpen wat hij in feite zei”, schreef Anderson in een nieuwe editie (1991) van Imagined Communities. Hij had het als ironie begrepen, en over het hoofd gezien dat Renan beide gebeurtenissen als meer dan bekend veronderstelde, terwijl hij niet zo maar eiste dat de Fransen die zouden vergeten, maar al vergeten wáren. Anderson concludeerde nu dat de Fransen geacht werden de episodes op een bepaalde manier te herinneren. Door ze globaal aan te duiden als onderdelen van de Franse geschiedenis hoeven ze niet in hun ware gedaante herkend te worden: als moordpartijen tussen mensen die zichzelf in het geheel niet als 'Fransen' zagen. In het Franse onderwijs werd zo'n conflict een vertrouwd aanzien gegeven door het af te schilderen een “broederstrijd tussen - wie anders? - landgenoten”.

Zo worden oude oorlogen bijgezet in de 'familiegeschiedenis' - iets wat ook is gebeurd met de burgeroorlog in de VS, of de daden van Willem de Veroveraar in Engeland. Anderson betrok dit op de algemene neiging van naties om zichzelf historisch diepe wortels toe te kennen, en hij meende nu dat dit niet als “machiavellistische hocus pocus of bourgeois gefantaseer” afgedaan kon worden. Het was eerder het noodzakelijk gevolg van de nieuwe nationale verbeelding. Die verbeelding kan niet zonder een geschiedenis die bij haar moderne krakter past, namelijk die van een biografie. Iedere nationale verbeelding heeft een coherente levensgeschiedenis nodig waarin de doden 'bij ons' horen. En daarmee legde hij opnieuw het verband tussen nationalisme en moderne literatuur.

Het kost soms moeite de doden te nationaliseren en zo tot rust te brengen. Dat bleek weer vorige week op een besloten conferentie in Amsterdam, waar Anderson samen met een dertigtal Amerikaanse, Europese en Aziatische geleerden over 'Godsdienst en nationalisme in Europa en Azië' debatteerde. Hij hoorde hoe men in India de herinnering aan de honderdduizenden slachtoffers van de strijd tussen hindoes en moslems in 1947 niet echt kan toelaten. Waarop de Duitsers over Auschwitz begonnen - zij zaten met hetzelfde probleem. Wat de Indiërs bestreden want bij hen bleef het geweld voortgaan, dagelijks. Even heerste echte verdrietigheid in de conferentiezaal. Het deed denken aan wat Anderson over Renan had geschreven: hoe die in 1882 wel naar de Sint Bartelomeusnacht kon verwijzen, maar niet naar de Parijse commune van elf jaar eerder - een herinnering die nog te pijnlijk was om als een oude familievete te worden afgedaan.

Anderson gaf op de conferentie een kort exposé over de strijd tussen kerk en staat om het bezit van de doden. “De kerk wil de doden in hemel of hel, maar de nationale staat heeft een veel animistischer opvatting, die wil dat zijn doden nog op aarde rondwaren. Het is niet goed denkbaar dat Major officieel zou verklaren dat Churchill in de hemel is opgenomen - dat kan niet, dat is niet waar een natie zijn belangrijke doden graag ziet verblijven.”

Hij vertelt over de Engelse doden uit de Wereldoorlogen, die op het continent begraven liggen - niemand, familie noch kerk, werd toegestaan, de lijken mee naar huis te nemen. En nu liggen ze daar, velden vol eendere kruisen: in de dood eindelijk gelijk, het ideaal van de natiestaat. De Fransen slaagden daar minder in, zei Anderson. Daar kon de kerk er zich wel mee bemoeien, en steden en dorpen lukten het soms hun eigen doden te bemachtigen.

De nationale staat concurreert met de godsdienst in het heiligen van herinneringen, maar slaagt daar maar moeilijk in, zei Anderson. “De meeste nationale monumenten zijn mislukkingen. Het zijn net schilderijtjes op de wc of in de keuken. Ze hangen er, maar ze vallen je niet meer op. Mensen weten ook niet goed wat ze bij een monument moeten doen. Bij de sacrale plaatsen van de godsdienst is het duidelijk - daar moet tot God gebeden worden. Maar een monument bekijk je eens, je laat een foto van je nemen terwijl je er voor staat, en je gaat weer naar huis. Veel meer valt er niet mee te doen.”

Uiteindelijk kan voor Anderson de nationale verbeelding niet hechter in de geesten van individuele burgers verankerd raken dan via die kapitalitische uitvinding, de massale reproduktie van beeltenissen, zoals landkaarten, of van woorden, in romans, kranten en geschiedenissen. Een voetbalwedstrijd of nationale feestdag is te incidenteel - alleen het gedrukte woord dringt met dagelijkse regelmaat tot de intimiteit van het persoonlijke door.

Milde ironie

In de lobby van het hotel leunt Anderson na het interview achterover en kijkt zijn ondervrager vorsend aan. “Zeg”, bromt hij, “dit artikel wordt toch niet te serieus?”

Hij zegt dat hij steeds meer prijs is gaan stellen op een milde ironie. Het mag in geen geval 'zuur' of 'stug' klinken. Hij gebruikt die Nederlandse woorden - “die geven het 't beste weer, er zijn in het Engels geen betere woorden voor”. Zuur is zijn boek intussen niet, ironisch wel, met een ondertoon van links ressentiment. Hij had tenslotte altijd een hechte band met zijn broer Perry, die in de jaren zeventig het linkse debat in Engeland beheerste, als redacteur van The New Left Review. Zelf werd hij in 1972 door het generaalsbewind zijn geliefde Indonesië uitgezet, en in Amerika voorzag hij met zijn kennis de Vietnambeweging van munitie. Een 'activist' werd hij nooit - “ik haat het om mezelf te herhalen”.

Anderson vond zichzelf altijd een “slecht marxist”. Hij had een fatale neiging naar literaire verbeelding, die hij voor het eerst geproefd had, zo rond zijn twaalfde, bij het lezen van Vaders en Zonen van Toergenjev. Zijn hele puberteit heeft hij zich Bazarov gewaand - strijdend tegen God, gezag en loze woorden. Een jongen moet dapper zijn, in alle opzichten.

“De meeste schrijvers over nationalisme hebben er persoonlijk iets mee”, zegt Anderson, “Het zijn meestal joden, die het kwaad willen doorgronden, en voor eeuwig teniet doen. Maar intussen, de marxist Hobsbawm bijvoorbeeld, als je met hem praat blijkt hij steeds een zeer fanatiek Brits patriot. Net als Gellner. Allebei waren ze Engeland zeer dankbaar - daar voelden ze zich veilig. Ze hoopten allebei nog eens geadeld te worden.”

Sentimenteel

Anderson's vader stamde uit een geslacht van Ierse nationalisten uit de 18de en 19de eeuw. Zijn moeder was “zeer Brits, en zeer middle class”. Hij werd geboren in China, waar zijn vader bij de Britse douane werkte. In 1941 ging naar Californië, eental jaren later naar Ierland, vanwaaruit hij in Engeland op kostschool ging. Met een Engels accent op Amerikaanse scholen, daarna met een Amerikaanse tongval op Ierse scholen, en Iricismen op Engelse - “dat maakte taal voor mij op een heilzame manier problematisch”, schreef hij ooit. Sindsdien bestudeert hij al bijna veertig jaar lang Zuidoost-Azië vanuit de Amerikaanse Cornell University, en heeft nog altijd een Iers paspoort. “Ik had dus nooit zo'n duidelijk idee over mijn nationaliteit. Ik ben wel eens jaloers geweest op mensen die dat wel hebben.”

Hij aarzelt als hem gevraagd wordt wat voor soort herinneringen aan landen hem sentimenteel maken. Ierse muziek? Nee, beslist niet. Landschappen, en een manier van praten eerder. Indonesische muziek, dat is wat anders, daar kan hij zich moeilijk goed bij houden. Maar uiteindelijk komt hij weer op het geschreven woord: “Een van de meest emotionele boeken is voor mij Bandoeng-Bandung van de Nederlander Springer. Dat gaat over een Nederlandse man die Bandung bezoekt en daar de Javaanse jongen terugziet waar hij lang geleden, voor de oorlog, een soort bloedbroederschap mee had gesloten. Als Springer dan beschrijft hoe de herinneringen weer bij hem bovenkomen - een soort opkomende vloed van emoties over schuld en verraad. Er waren momenten in het boek dat ik wel kon huilen. Dat kwam ook door het Nederlands. Dat is zo'n prachtige taal - ik geloof nooit dat je zoiets in het Engels kunt schrijven.”

Zijn diepste verlangen is naar Indonesië. “23 jaar lang, huge Heimweh”. Hij gebruikt het liefst het Duitse woord, en is aangenaam verrast te horen dat het ook het Nederlandse is. “In homesick zit 'ziekte', en daar gaat het niet over”. De oude generaals die hem wegstuurden zijn allang dood; er is een kans dat hij weer een visum krijgt. “En nu zit ik eigenlijk in de zenuwen over dat teruggaan. Ik ben er een beetje bang voor.”

Van Benedict Anderson zijn leverbaar: 'Language and Power: Exploring Political Cultures in Indonesia' (1990, Cornell). 'Imagined Communities' (1983, 1991) is uitgegeven bij Verso. 'Verbeelde gemeenschappen' bij Jan Mets. 'Het is niet goed denkbaar dat Major officieel zou verklaren dat Churchill in de hemel is opgenomen. Dat kan niet, dat is niet waar een natie zijn belangrijke doden graag ziet verblijven.'