WIM OVERGAAUW 1929-1995; Zonder franje

“Aan al die grote jongens mankeert wel wat, maar ze kunnen tenminste een melodie spelen. Dat kunnen de gitaristen van tegenwoordig niet.” Deze uitspraak, afkomstig uit een interview dat vorig jaar verscheen in het maandblad Jazz Nu, is tekenend voor de jazzgitarist Wim Overgaauw, die vorige week donderdag op 66-jarige leeftijd in Hilversum overleed. Hij lette heel erg op vakmanschap en was niet gauw van iets kapot. Het spel van de beroemde Django Reinhardt bijvoorbeeld vond hij 'maar niks' of weinig meer dan 'zigeuner-bluf'.

De eerste Nederlandse gitarist die hij opmerkte was de cabaret-specialist Jan Blok, die, zes jaar ouder dan Overgaauw, afgelopen donderdag eveneens overleed. De eerste die naar zijn mening beter speelde dan hijzelf was de Amerikaan Jimmy Raney die hij in de jaren vijftig in Duitsland hoorde. Pas door hem besloot Overgaauw, die toen al tien jaar in het vak zat, als gitarist maar ook als zanger, 'als een gek' te gaan studeren.

Zijn eerste prijs ontving hij in '55 samen met onder anderen bassist Ruud Jacobs op een Jazzconcours in Scheveningen: een heus herdenkinsgstegeltje. De muzikale vriendschap met Ruud en broer Pim Jacobs plus diens eega Rita Reys beklijfde en leidde tot een samenwerking die vijftien jaar duurde. Met als resultaat een stapel lp's plus een aantal tv-beelden in zwart-wit die onveranderlijk hetzelfde beeld laten zien: Pim Jacobs grijnzend, broer Ruud sierlijk plukkend en Overgaauw introvert voorovergebogen over zijn gitaar. Een man die zijn werk deed zonder enige franje: er stond toch niet in zijn contract dat hij ook nog moest lachen?

Ook in het winnen van een Edison in '72 voor zijn in het vakblad Jazzwereld afgekraakte lp Don't Disturb, zag hij geen reden tot juichen, zeker achteraf niet. “Charles Aznavour die voor mij zat, kreeg veertigduizend gulden en de man na mij twintigduizend. Ik zou vijfhonderd gulden krijgen. Toen werd ik 's middags opgebeld of ik het niet voor honderd minder kon doen. En daar ging nog belasting af ook.”

Wim Overgaauw dook onder in de studio's waar hij speelde 'in een stuk of dertig orkesten' zonder er merkbaar vrolijker van te worden. Ook het feit dat hij als jazzgitarist steevast met een enorme voorsprong elke populariteitsverkiezing won kon hem nauwelijks beroeren, er was eenvoudigweg geen concurrentie. Toen die er uiteindelijk wel begon te komen, was hij al 'veilig' onderdak als leraar in de groeitak 'Lichte Muziek' van het Hilversums Conservatorium met elk jaar weer honderd aankomende gitaartalenten.

Soms liet hij zich verleiden tot een 'cutting contest' met andere gitaristen, met Eef Albers en Jan Kuiper als sterkste partners. Zelfs het 'drumbeest' Han Bennink ging hij een paar keer te lijf.

Het opleiden van jonge gitaristen vergde de laatste tien jaar het meest van Overgaauws tijd. En niet zonder succes, gezien de overwinning van zijn leerling Jesse van Ruller, een melodicus bij uitstek, tijdens het recente Thelonious Monk-concours in de Amerikaanse hoofdstad Washington. Zo had hij met de dood op zijn hielen toch nog iets om over te juichen. Wim Overgaauw trof het lot dat vele pioniers treft: ze leven in een niemandsland, ze werken als paarden en zijn hoogstens bij vlagen even gelukkig.

    • Frans van Leeuwen