'Paarse' sancties maken de werkloosheid erger

In mijn jeugd logeerde ik soms met vriendjes op de boerderij bij een aardige oom en tante. Het waren de hoogtepunten van onze kindertijd want we mochten meehelpen bij allerlei karweitjes. We kregen geen geld, maar wie goed hielp kreeg een complimentje. Dat gaf wat onderlinge rivaliteit, maar ons humeur en motivatie werd niet minder want verder werden we gelijk behandeld.

Later heb ik geleerd dat wij destijds 'intrinsiek' gemotiveerd waren, wat wil zeggen dat je dingen doet omdat je de bijbehorende lichamelijke en geestelijke inspanning 'in jezelf' als iets prettigs ervaart. Extrinsieke motivatie, daarentegen, wil zeggen dat je dingen doet, of juist niet, omdat je 'van buitenaf' wordt beloond of gestraft.

Vooral de rechterkant van het 'paarse' kabinet kan daarvan leren als het gaat om bestrijding van werkloosheid en het belang van sociale zekerheid. Het verder vergroten van het verschil tussen uitkeringen en arbeidsloon en het verminderen van sociale zekerheid is onverstandig. Men gokt dan op financiële sancties om mensen aan het werk te krijgen en niet op hun eigen intrinsieke motivatie. Daarmee gokt men op het verkeerde paard.

Voor veel mensen is een betaalde baan, waarmee ze in hun onderhoud kunnen voorzien, niet haalbaar. Dat geldt vooral voor mensen met een zwakke positie op de arbeidsmarkt, zoals mensen met een slechte gezondheid, gedeeltelijk arbeidsongeschikten, alleenstaande vrouwen met kinderen, ouderen, allochtonen met een taalachterstand en mensen die zich minder snel aanpassen aan de wensen van werkgevers. Zij lopen een moeilijk te verteren achterstand op en worden voorspelbaar de slachtoffers van grotere ongelijkheid. Ook worden zij voorspelbaar het slachtoffer van de voorgenomen afschaffing van de Ziektewet, doordat de kans op betaald werk dan nog kleiner voor ze wordt.

Dat levert frustraties op en vermindert de inspanning om nog werk te zoeken in het normale - witte - circuit. Alleen de verlaging van de uitkeringen tot onder het sociale bestaansminimum zou deze mensen nog tot betaald werk kunnen dwingen. Maar dat is in onze maatschappij toch al te cynisch en ongeloofwaardig.

Wij verkeren in een situatie van hoge produktiviteit en overvloed en juist dàn kan men zich beter richten op de intrinsieke motivatie. Dat kan bijvoorbeeld door het verbeteren van beroepskeuzevoorlichting, arbeidsbemiddeling en scholing. In Nederland wordt aan deze vorm van arbeidsmarktbeleid relatief weinig geld besteed.

Veel mensen zullen moeite hebben met die aanpak, want er zijn werklozen die zich nauwelijks inzetten om werk te vinden. Veel kostbare projecten om werklozen aan een baan te helpen mislukken geheel of gedeeltelijk, doordat werklozen afhaken of zelfs niet komen opdagen als ze worden opgeroepen. Enerzijds gunt men werklozen een goede uitkering, maar anderzijds wil men dit gedrag niet stimuleren en liever financieel afstraffen.

Het tactische en morele dilemma is dus: blijven inspelen op extrinsieke motivatie door het vergroten van ongelijkheid, òf spelen we in op intrinsieke motivatie en zorgen we dat ongelijkheid juist beperkt blijft. Grote ongelijkheid dwingt mensen immers permanent rekening te houden met de financiële opbrengsten van hun activiteiten, waardoor de intrinsieke motivatie op den duur wordt afgebroken. Dit dilemma is gecompliceerd maar naar mijn mening wél oplosbaar, door de arbeidsbemiddeling anders in te richten.

Op het ogenblik maakt men in de arbeidsbemiddeling onderscheid tussen vier categorieën werklozen afhankelijk van de vraag of ze objectief bezien snel en gemakkelijk een baan kunnen vinden of pas op termijn en met intensieve ondersteuning. Ik pleit er voor om daaraan voorafgaand onderscheid te maken tussen (1) werklozen die gemotiveerd zijn werk te zoeken, (2) werklozen die niet gemotiveerd zijn maar daar een goede reden voor hebben, en (3) werklozen die zonder goede reden ongemotiveerd zijn.

Dat lijkt moeilijker dan het is. De eerstgenoemden, de gemotiveerden, zijn door hun uitlatingen en feitelijk gedrag altijd wel herkenbaar; als ze simuleren vallen ze snel door de mand. Voor deze groep is werkloosheid pijnlijk en moeilijk te accepteren en veroorzaakt werkloosheid grote persoonlijke schade.

Het onderscheid tussen de tweede en derde groep werklozen kan gemaakt worden door de groep werklozen, die voor hun motivatiegebrek een goed argument hebben, zichzelf te laten uitselecteren. De werklozen die zonder enig redelijk argument ongemotiveerd zijn om werk te zoeken, blijven dan over en worden aanwijsbaar. Dat is belangrijk omdat juist deze groep, die op het ogenblik niet goed zichtbaar is, extra aandacht verdient.

In deze laatste groep zitten werklozen die ongemotiveerd zijn omdat ze bijvoorbeeld bijverdienen in het zwarte, het grijze of het criminele circuit. Bij deze groep veroorzaakt het werkloos zijn een grote maatschappelijke en zelfs morele schade. Veel mensen kennen voorbeelden van deze vorm van werkloosheid, ergeren zich en vragen zich af of ze met werklozen nog wel solidair moeten zijn. Als deze groep herkenbaar wordt, kan men extra aandacht aan hen besteden en zonodig financiële sancties toepassen. Dat maakt het mogelijk misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen selectief te bestrijden en de kans op criminaliteit te verkleinen. Algemene verslechtering van sociale zekerheid, waarbij de goeden met de kwaden lijden, is dan niet nodig.

De hamvraag is dus hoe men kan beoordelen of werklozen een goed argument hebben om niet gemotiveerd te zijn een baan te zoeken. Dat kan door een lijst op te stellen van 'goede argumenten'; werklozen die zich op een van die argumenten beroepen kunnen dan, als zij dat wensen, voor een bepaalde periode en met bepaalde afspraken worden vrijgesteld van de sollicitatieplicht.

Een goed argument is bijvoorbeeld dat men controleerbaar bezig is met vrijwilligerswerk, een opleiding, kunst, topsport, de opvoeding van kinderen of de verzorging van hulpbehoevenden. Afhankelijk van de werkloosheidssituatie en de capaciteit van de arbeidsbemiddeling kan met die argumenten en vrijstellingen meer of minder ruimhartig worden omgesprongen. Dit vergroot de maatschappelijke effectiviteit van de arbeidsbemiddeling. Bovendien vermindert dit het stigmatiserende effect van werkloosheid, omdat werkloosheid in bepaalde gevallen een vrijwillig en te respecteren karakter krijgt.

Deze aanpak lost het werkloosheidsprobleem niet op, maar beperkt de schade veel beter dan de huidige praktijk en levert bovendien minder frustraties op.