Maurice de Hond struikelt over de kabel in zijn Digi-Deltaplan

Dankzij de snelheid van het licht. Door Maurice de Hond. Uitg. Het Spectrum, Utrecht, 1995. 219 blz. ISBN 90-274-4777-2.

In Amerika wemelt het ervan, van mensen die je vertellen hoe de toekomst eruit ziet. Nicholas Negroponte en Bill Gates zijn recente voorbeelden van mannen die in een boek vanuit hun automatiseringskennis hoopvolle en waarschuwende woorden verspreiden. In Nederland zijn zulke boeken zeldzamer. Maurice de Hond probeert nu, drijvend op zijn nationale bekendheid als voorspeller van verkiezingsuitslagen, een plekje in het schap tussen beide Amerikaanse computergoeroes te veroveren. In een met vaart geschreven boek voor een breed publiek geeft hij een schets van wat ons te wachten staat in een wereld waarin het verplaatsen van bits belangrijker wordt dan dat van atomen.

De Hond schrijft vanuit zijn eigen ervaring en lardeert zijn betoog met Nederlandse voorbeelden. Hij mag dan vooral bekend zijn als enquêteur, in werkelijkheid is dat onderzoek een nevenactiviteit. De Hond is thans directeur informatietechnologie en nieuwe media bij uitgeverij Wegener en in de afgelopen jaren was hij onder meer initiator van de Microcomputer Club Nederland - een project van V&D en Dixons - en van de elektronische uitgaven van de Gouden Gids. Hij is al dertig jaar computergebruiker en werd naar eigen zeggen in 1989 opgenomen op Amerikaanse lijst van de vijfhonderd invloedrijkste mensen in de PC-industrie.

Dankzij de snelheid van het licht vertoont aanzienlijke overeenkomsten met Being digital van Nicholas Negroponte dat enkele maanden eerder uit kwam. Beiden geven een gedachtengoed weer dat tamelijk algemeen is in kringen van mensen die iets van computers, multimedia en communicatie afweten. Beiden voorspellen dat de toegenomen kracht van computers en vooral de steeds intensievere communicatie via computers ons dagelijks leven en de economie ingrijpend zullen beïnvloeden.

De kern van De Honds boek kan worden samengevat als de 'regel van de reizende zintuigen' zoals hij die op bladzijde 108 formuleert: “Bij alle activiteiten en situaties waarbij de mens smaak noch reuk noch tastzin nodig heeft, kan en zal hij of zij in de toekomst op een of andere manier gebruik gaan maken van de elektronische snelweg.” Het is niet zo zeer de vraag of de toverformule uit Star Trek - Beam me up, Scotty, waarbij een menselijk lichaam wordt gedematerialiseerd, overgestraald en elders weer wordt gematerialiseerd - ooit werkelijkheid wordt, het is de vraag of dat wel nodig is. Immers, als we onze zintuigen kunnen laten reizen, razendsnel en voor een habbekrats, wat zouden we dan nog moeilijk gaan zitten doen met dat lijf?

Op basis hiervan doorredenerend, ziet de auteur zich winkelen in virtuele winkelcentra en deelnemen aan on line congressen. Op Internet is nu al een programma beschikbaar dat de aanbiedingen van een aantal CD-postorderbedrijven met elkaar vergelijkt en de goedkoopste eruit pikt. Zulke consumentenagenten zullen algemeen worden, verwacht De Hond, en dit zal leiden tot een verschuiving van marktmacht van aanbieders en producenten naar afnemers en consumenten. Prijzen zullen dalen doordat de tussenhandel in veel gevallen kan worden uitgeschakeld, en prijsverschillen zullen afnemen doordat de consument over meer marktinformatie beschikt.

Hoewel markten steeds grootschaliger en internationaler worden, nemen de mogelijkheden voor persoonlijke service toch toe, meent De Hond, omdat bedrijven gedetailleerde informatie over hun klanten in databases bijhouden. Als hij zoals gewoonlijk bij zijn bank duizend gulden komt opnemen in briefjes van honderd, is dat kennis die niet meer in hoofd zit van de toevallige bankbediende, maar waar dan ook ter wereld in alle filialen beschikbaar is.

Tot zover is het allemaal heel zinnig. Het zijn geen opzienbarende gedachten, maar voor wie nog niet op de hoogte was, is het nuttig ervan kennis te nemen. Maar vervolgens mag de lezer het boek na bladzijde 182 dichtslaan, want het dan gepresenteerde Digi-Deltaplan bevat de grootst mogelijke kolder. De Hond stelt voor twintig miljard gulden uit te trekken om Nederland in hoog tempo te voorzien van een glasvezelnet dat tot in elke woning reikt. Glasvezel is volgens hem nodig om de mogelijkheden van de elektronische snelweg binnen het bereik van de bevolking te krijgen.

Het zou erg jammer zijn als De Hond in dit opzicht zijn zin kreeg. Nederland beschikt al over twee kabelaansluitingen aan vrijwel elke woning: een telefoonkabel en een televisiekabel. De beperkingen van beide kabelsystemen zitten, zeker wat betreft de televisiekabel, helemaal niet de kabel zelf, maar in het schakelsysteem, de netwerkbesturing en de regelgeving. Zelfs over twee dunne koperdraadjes zoals die voor de telefoon worden gebruikt, kunnen videosignalen worden gestuurd. In menig bedrijfscomputernetwerk gebeurt dat ook. Dat vergt veranderingen in de centrales, maar niet in de kabels.

Als Nederland een vooraanstaande rol wil spelen in de netwerkmaatschappij van de toekomst, moeten we geen twintig miljard uitgeven aan het verplaatsen van grond - het graven van de geulen is namelijk veel duurder dan de kabels die erin gaan - maar moeten we stimuleren dat er diensten worden ontwikkeld op de elektronische snelweg. Daarvoor moeten allerlei monopolies worden opgeruimd, zodat eigenaren van kabels (PTT, NS, energiemaatschappijen en televisiekabelmaatschappijen) met elkaar kunnen concurreren. Vervolgens moet worden voorkomen dat eigenaren van kabels van hun machtspositie misbruik maken om hun eigen diensten op die kabel te beschermen tegen andere. En als dan de elektronische snelweg werkelijk open ligt, is het aan creatieve ondernemers om ervoor te zorgen dat er een lucratief aanbod van diensten ontstaat. Voor 95 procent van die diensten is de fysieke aard van de kabel volstrekt irrelevant.