Goed of lelijk

Kunsthistorici zijn merkwaardige mensen. Soms zijn ze net God. Kunsthistorici weten wat gewone stervelingen vinden, en mooi en lelijk stellen zij gelijk aan goed en slecht. “Een goede kast”, zegt mijn vriend K. en ik weet dat hij het over een oude kast heeft, die hij mooi vindt. Ongetwijfeld heeft hij gelijk met zijn oordeel, maar de zelfverzekerdheid van dat 'goed' verbaast mij telkens opnieuw.

Antiquairs ook. Een hunner vertelt, vol liefde en trots, dat zijn vrouw zo'n geweldig vermogen heeft om te zien wat mooi is en wat niet. Ik denk bij mijzelf: dat kan ik ook, ik weet best wat ik mooi vind en wat niet. Tegelijk begrijp ik dat ik mijn mond moet houden, want de antiquair, zelf ook niet dom of van smaak verstoken, schrijft aan zijn vrouw een hogere gave toe; misschien wel terecht. Over schoonheid kan iedereen een eigen mening hebben, maar de mening van de een is interessanter dan die van een ander. Toch denk ik: ik kijk zelf wel.

Het idee dat een kenner beter kan beoordelen of iets mooi is, is tegelijk waar en niet waar. Wie veel met oude kasten omgaat, wie weet hoe ze gemaakt werden, hoe ze eerst waren en hoe ze later werden, die begrijpt die kasten beter. Hij is beter bevoegd tot oordelen. Aan de andere kant is smaak net zoiets als liefde. Iemand kan precies uitleggen waarom dit de beste kast is qua herkomst, formaat, karakter - maar als het even mis gaat, val je op het exemplaar dat ernaast staat, een onverantwoordelijk negentiende-eeuws type met prachtige krullen.

Een serieuze kunsthistoricus overkomt zoiets natuurlijk niet. Als ik verlang naar rustgevende stelligheid (en K. is niet in de buurt) ga ik even lezen in een boek dat weliswaar over gebouwen en niet over meubels gaat, maar in stelligheid onovertroffen is.

Het heet Bouwkunst in de stad en op het land; de auteur is Herman van der Kloot Meijburg. Hij vergelijkt huizen, schuren, tuinhuisjes en dergelijke, die hij bij honderden heeft gefotografeerd. Steeds staan een goed en een slecht voorbeeld naast elkaar. Kloots bijschriften melden dan: 'Fraai tuinhuisje te Voorburg, van bescheiden karakter.'Of: 'Leelijk tuinhuisje van groote aanmatiging'. Moderne voorbeelden (nu ja, het is 1916) zijn vaak 'onbeduidend' of 'doelloos', soms ook 'slordig', 'wanstaltig', zelfs 'schunnig opgesierd'. Dit in tegenstelling tot de schilderachtige, doeltreffende, harmonische, kortweg goede ontwerpen. Daar zijn veel oude bij, maar ook wel hedendaagse.

Een 'hooge graad van schoonheid' kan in een boerderijtje te Zilven gevonden worden, een dorpsstraatje kan 'geestig' zijn, en een bruggetje 'verward'. Het grappige is, dat je altijd duidelijk ziet wat de auteur bedoelt. Hij houdt van evenwicht en verfoeit alles wat een beetje gek is. Maar het aandoenlijke, de inventiviteit of gezelligheid van sommige dingen uit de negentiende eeuw, die ontgaan hem.

Zekerheden mogen dan een prettig gevoel geven, het is toch goed om ze zo nu en dan te ondermijnen; op esthetisch gebied helemaal. Daarom is een tentoonstelling van negentiende-eeuwse pronkspullen zoals die nu in het Rijksmuseum wordt gehouden een aardig idee. Het is alsof een legertje bastaarden is binnengedrongen op de jaarlijkse rashondententoonstelling, waar elk getrimd beest zich kan beroemen op een onberispelijke stamboom. Kijk nu maar eens echt wie de mooiste is!, zo blaffen de indringers vrolijk.

Er zijn kasten met gotische kerkramen en rijke ribbelranden op de hoeken, stoelen met dolle krullen die worden omlijst door zuiltjes; pendules, haardschermen, veelal in rare kleuren en onwaarschijnlijke vormen. Oogverblindend zilverwerk ook. Al met al weinig of niets dat mijn geschoolde vrienden 'goed' zouden noemen. Maar wel heel veel aandoenlijks, inventiefs en gezelligs.

De naam van de tentoonstelling: 'De Lelijke Tijd', met die nadrukkelijke aanhalingstekens er omheen, is om verschillende redenen een beetje vreemd. De belangrijkste is: wie vindt of vond de meubels uit die tijd (1835-1895) eigenlijk lelijk, behalve kunsthistorici en andere kenners? Alleen een vrij beperkte kring van door hen beïnvloede leden van de betere kringen. Museumbezoekers, designkopers, VN-lezers. Vijf procent van de bevolking, op zijn allerhoogst tien. De rest van de mensheid heeft de gezonde neiging om dingen die zo duidelijk met veel moeite en kosten mooi zijn gemaakt, ook mooi te vinden. In de Jordaan is de Lelijke Tijd nooit lelijk gevonden.

Daar staat tegenover dat de meeste van die strak-en-sober-types ook weer niet zoveel kijk op de dingen hebben als ze bij het Rijks lijken te veronderstellen. Ik betwijfel of ze allemaal het verschil zien tussen de krullen van de Lelijke Tijd en die van een eeuwtje eerder. Laat ze in plaats van de neo-rococo armstoel die in deze krant stond afgebeeld een achttiende-eeuws exemplaar zien, of in plaats van de quasi-gotische zilverkast een renaissance-beeldenkast, en de modale reactie van deze Bijenkorfklanten en Akoprijskijkers zal ook zijn: jesses. Wat een overdaad! De ideologie van Goed Wonen heeft menigeen blind gemaakt voor méér dan de charmes van de negentiende eeuw.

Kunsthistorici weten dat kijken het moeilijkste is wat er is, en ze hebben gelijk. Mensen zien braaf wat ze verteld wordt dat ze zien, en vinden wat ze behoren te vinden. Iemand die de moeite neemt om naar een tentoonstelling te gaan, zal alleen al daarom geneigd zijn het tentoongestelde mooi te vinden. Je kunt het daarom ook nog beschouwen als een interessant experiment om het woord 'lelijk' in de titel van zo'n tentoonstelling op te nemen, hoeveel aanhalingstekens er ook omheen staan. Want wat zullen ze geloven, als het bevoegd gezag een beetje in het midden laat wat het zelf vindt? Als ik het museum was, zou ik dat gaan onderzoeken.