Een goede scheidsrechter zet wetenschap niet buitenpel

Ondanks de overwinning die AFC Ajax twee weken geleden in Spanje op Real Madrid boekte, viel het te betreuren dat het eerste doelpunt van Litmanen niet werd herkend als doelpunt. In de herhaling bleek overduidelijk dat de bal in de twaalfde minuut van de wedstrijd via de bovenlat achter de doellijn terechtkwam alvorens de keeper van Real de bal wegspeelde.

Meest betreurenswaardig is dat dergelijke incidenten, maar ook andere onjuiste beslissingen van een arbiter, ondanks de beschikbare technologische kennis nog steeds frequent voorkomen in de sportwereld.

Omdat de laatste decennia topsportprestaties vaak zeer dicht bij elkaar liggen, en omdat er veel geld te verdienen is voor de winnende topsporter(s), is het gebruik van objectieve, geavanceerde technische hulpmiddelen bij het beoordelen van overtredingen en eindtijden enorm toegenomen.

Daarnaast heeft wetenschappelijk onderzoek haar toevlucht genomen in het optellen van biomechanische modellen van bijvoorbeeld sprinters en schaatsers met als doel de werkelijke sporters optimaal te trainen en te laten presteren. Over het algemeen staat de objectiviteit van het gebruik van techniek en wetenschap niet ter discussie in de sportwereld. Tijdens grote sportevenementen, zoals thans de Champions League maar vooral ook tijdens het WK-voetbal vorig jaar, blijkt helaas dat het gebruik van de beschikbare techniek nog lang niet optimaal is.

Voor Ajax liep het in de wedstrijd tegen Real nog goed af, maar een onterechte beslissing door een scheidsrechter kan grote gevolgen kan hebben op het verloop van een sportevenement. Denk bijvoorbeeld aan de wedstrijd Brazilië - Nederland tijdens het wereldkampioenschap voetbal vorig jaar in de Verenigde Staten. In de herhaling van een cruciaal spelfragment was duidelijk te zien dat Bebeto buitenspel stond voordat hij 2-0 scoorde. Zijn doelpunt werd evenwel goedgekeurd. De achterstand op Brazilië kon niet meer worden goedgemaakt en het Nederlands elftal kon naar huis.

Uiteraard heeft de arbiter het laatste woord, maar de vraag is of de scheidsrechter (en ook de grensrechters) wel in alle gevallen een objectieve beslissing kán nemen. Als binnen een paar seconden na een incident de gehele wereld in de herhaling kan zien dat de scheidsrechter een foute beslissing neemt, waarom kan de scheidsrechter dan de herhaling niet even bekijken? Zou het niet beter zijn om in twijfelgevallen, binnen een paar seconden, de scheidsrechter de beelden te laten beoordelen? Veel techniek is hierbij niet nodig: een video-opname langs het veld bekijken is reeds voldoende, en zal het spel niet hinderen. Integendeel, een objectieve beslissing zal de gemoedsrust van de spelers èn de kijkers ten goede komen.

Een mogelijk probleem echter zou kunnen zijn dat de maatschappij die over de rechten van de opnamen beschikt deze hiervoor niet beschikbaar wil stellen. De voetbalbond zou in dat geval op elke hoek van het veld een camera kunnen plaatsen om zelf de benodigde opnamen te maken.

Dat de beoordeling van sportwedstrijden door scheidsrechters niet altijd overeenkomt met de beelden thuis op de buis was soms ook goed zichtbaar tijdens het boksen op de Olympische Spelen in Barcelona in 1992. Een punt werd pas geteld wanneer tenminste drie van de vijf scheidsrechters binnen een seconde een knopje hadden ingedrukt (het zogenaamde computer-telsysteem). Het probleem echter was dat wanneer er een regen van slagen viel, de juryleden dit niet konden bijhouden met als gevolg dat de inspanning van de aanvallende bokser niet beloond werd met een snel groeiend aantal punten. Sterker nog, het kwam zelfs voor dat de mindere bokser die al eens tegen het canvas was gegaan uiteindelijk toch won omdat al zijn zo af en toe uitgedeelde klappen met een punt werden gewaardeerd.

De reden voor het gebruik van dit puntenstelsel, dat alleen binnen amateurboksen werd toegepast, is dat dit het technische boksen ten goede komt en dat partijdige juryleden door de mand vallen. Het dynamische karakter gaat hierdoor echter wel verloren en de overgang van amateur naar professioneel boksen wordt nog eens extra bemoeilijkt omdat er niet alleen over meer ronden wordt gebokst (maximaal twaalf in plaats van drie), maar vooral omdat de boksstijl zelf drastisch dient te worden aangepast. De voorkeur gaat daarom uit naar een puntensysteem dat zowel bij het amateur als het professioneel boksen wordt gehanteerd.

Het meest frappante voorbeeld van onvolledig gebruik van beschikbare wetenschappelijke kennis vindt plaats in de atletiekwereld, en wel bij de 200 meter sprint. Het af te leggen traject is de eerste 100 meter gekromd, en vervolgens recht. Afhankelijk van de windrichting en -snelheid gemeten langs het rechte deel van het traject keurt de internationale atletiekbond (de IAAF) een gelopen tijd geldig als recordtijd.

Recent hebben onderzoekers van de Vrije Universiteit te Amsterdam het effect van de windrichting en -snelheid op de 200 meter sprint onderzocht. Hiertoe werden factoren als anaerobe en aerobe vermogensproduktie en het vermogensverlies ten gevolge van luchtwrijvingen zowel kwalitatief als kwantitatief in rekening gebracht. Simulaties lieten eindtijden zien van bijna 20 seconden, hetgeen zeer goed met de werkelijke eindtijden overeenkomt.

De onderzoekers hebben vervolgens onomstotelijk vastgesteld dat er zich situaties kunnen voordoen waarin de windrichting en -snelheid over het gehele traject genomen voor de sprinters nadelig zijn, terwijl de IAAF de eindtijd niet als recordtijd goedkeurt omdat de gemeten windrichting en -snelheid op het laatste deel van het traject in het voordeel zijn van de sprinter. Omgekeerd kan het ook voorkomen dat een recordtijd geldig wordt verklaard, terwijl de sprinter over het gehele traject beschouwd voordeel heeft gehad van de wind.

Kortom, de IAAF zou niet alleen de windrichting en -snelheid over de laatste 100 meter moeten beschouwen, maar de totale windvector langs het gehele traject. Pas dan kan een juiste beslissing genomen worden of een gelopen tijd een geldige recordtijd is of niet.

Het gebruik van technologische en wetenschappelijke kennis bij de beoordeling van sportprestaties is in principe een objectieve maatstaf. In een aantal sportgebieden wordt de kennis echter nog te weinig toegepast of op een onjuiste manier aangewend, met als mogelijke gevolg dat de sportieve prestaties niet op hun werkelijke waarde worden beoordeeld.