De Gaulle wilde herstel zelfrespect

“Il faut que la défense de la France soit Française.” Zo begon president Charles de Gaulle op 3 november 1959 zijn toespraak tot de officieren van het Centre des Hautes Études Militaires. In diezelfde rede kondigde hij “voor de komende jaren” de ontplooiing aan van de force de frappe, een strijdmacht uitgerust met atoomwapens die op iedere dreiging tegen Frans grondgebied van welke plek ter wereld ook met adequate middelen moest kunnen reageren.

Op 17 september van dat jaar had De Gaulle de Amerikaanse president Eisenhower en de Britse premier Macmillan een memorandum gestuurd. Daarin had hij voorgesteld binnen de NAVO een Directoraat in te richten van de staatshoofden van de VS, Groot-Brittannië en Frankrijk. Dat moest “de verantwoordelijkheid krijgen om gezamenlijk besluiten te nemen over alle politieke zaken die de veiligheid in de wereld raken, strategische plannen te ontwerpen en indien noodzakelijk op grond daarvan actie te ondernemen, speciaal die waarin het gebruik van atoomwapens is voorzien.” Om de ernst van zijn suggesties duidelijk te maken maakte de Franse president de verdere medewerking van zijn regering aan de NAVO afhankelijk van de inwilliging van zijn plannen.

Henry Kissinger wijst er in zijn jongste boek Diplomacy (1994) op dat De Gaulle een status voor Frankrijk opeiste gelijk aan de speciale relatie die Amerika en Engeland onderhielden, en dat hij tegelijkertijd binnen het 'rooseveltiaanse' concept van de Vier Politie-agenten de plaats van de Sovjet-Unie wilde innemen. (Als vierde politieman had Roosevelt in Jalta nationalistisch China genoemd.)

De Gaulle's strategische initiatieven spreken voor zichzelf. Het in de Tweede Wereldoorlog verslagen en vernederde Frankrijk diende zijn gerechtvaardigde plaats tussen de grote mogendheden weer in te nemen. Daartoe moest het allereerst over een eigen onafhankelijke strijdmacht beschikken, wat in het tijdperk van de atoombom betekende dat er een Frans kernwapen moest komen, voldoende geloofwaardig om iedere vijand af te schrikken. Maar hoewel de generaal dat verband niet rechtstreeks legde, was zijn force de frappe vooral bedoeld om in het westelijke bondgenootschap een gelijkwaardige rol met de 'angelsaksen' te verwerven.

Voor een deel waren de voorstellingen van de generaal een afspiegeling van de frustraties die hij als leider van de 'Vrije Fransen' tijdens zijn verblijf in Londen in de Tweede Wereldoorlog had opgelopen. Daar had hij ook een lichtelijk overspannen indruk gekregen van de zogenoemde 'speciale relatie' tussen Washington en Londen. Hij beschouwde die relatie als een tussen gelijken. In werkelijkheid was de dominantie van de Amerikanen volledig geweest, een dominantie die zich had voortgezet in het in 1949 tegen de Sovjet-Unie opgezette Atlantische bondgenootschap.

In een klap moest het Directoraat alle vernederingen recht zetten: Frankrijks uitsluiting bij het ontwikkelen van de strategie tegen nazi-Duitsland, Frankrijks afwezigheid in Jalta, waar volgens De Gaulle de naoorlogse Europese orde was vastgesteld, en Frankrijks gedwongen afzijdigheid bij het ontwikkelen van de nucleaire strategie tijdens de Koude Oorlog.

De onzekerheid over de betrouwbaarheid van de Amerikanen, die zo vaak is genoemd als verklaring van De Gaulle's breuk met de NAVO, was vermoedelijk niet meer dan een bijkomende factor. Wel had Kennedy's bereidheid in oktober 1962 om raketten uit Turkije terug te halen als prijs voor de vreedzame afloop van de Cubacrisis de Franse president aan het denken gezet. Alexander Haig - Reagans eerste minister van buitenlandse zaken - beschrijft in zijn Inner Circles (1992) hoe hij op dat moment ernstig rekening had gehouden met Frankrijks vertrek uit het Atlantisch pact. Maar het voorstel voor een Directoraat wijst in een andere richting. De twijfels aan de Amerikanen kwamen later, nog versterkt door het tragische verloop van de Amerikaanse interventie in Indochina.

Het was toch in de eerste plaats de weigering van de 'angelsaksen' om De Gaulle de door hem gewenste invloed op de westelijke politiek en strategie te gunnen die de Franse president tot zijn 'tegenmaatregelen' bracht. Het begon met de verwijdering van Amerikaanse kernwapens van Frans grondgebied nadat NAVO-opperbevelhebber Lauris Norstad in een onderhoud met De Gaulle had geweigerd hem over de plaatsing daarvan in te lichten. Vervolgens onttrok de generaal de Franse marine aan het Atlantisch commando.

Toen Kennedy in de herfst van 1962 het Skybolt-programma annuleerde raakte de maat vol. Deze door vliegtuigen af te vuren en met een atoomkop uitgeruste raket was de Britten beloofd nadat zij uit budgettaire overwegingen de eigen ontwikkeling van raketten hadden moeten stopzetten. In ruil boden de Amerikanen de Polaris aan, een nieuw wapen dat vanaf onderzeeërs werd gelanceerd. De regering-Macmillan legde zich hierbij neer. Maar de poging van de Amerikanen om ook De Gaulle met de Polaris tevreden te stellen, werkte averechts. Furieus liet de generaal weten niet van zins te zijn zijn force de frappe tot een hulpstuk van de Amerikaanse strategie te laten degraderen.

Er zouden nog een kleine vier jaar verlopen alvorens de apotheose van dit Atlantische drama zou worden geschreven. Maar in 1966 was het zover: De Gaulle trok het Franse leger terug uit de militaire organisatie van de NAVO. Frankrijk had zijn gevoel van eigenwaarde herwonnen, het bondgenootschap betaalt tot de dag van vandaag een prijs daarvoor.