De dichter Rendra schrijft op het ritme van zijn hartslag

“Ik leef altijd met twee waarheden, twee achtergronden,” zegt de Indonesische dichter Rendra die morgen in Den Haag optreedt. Samen met Nederlandse en Indonesische dichters werkte hij de afgelopen dagen aan de vertaling van Nederlandse poëzie in het Indonesisch en omgekeerd.

Workshop Poetry International. Met o.a. Rendra, Remco Campert, Toeti Heraty, Anna Enquist en Sitok Srengenge. Koninklijke Schouwburg, Den Haag, 7/12. Aanvang 20.15u. Inl. 070-3565320.

De dichter Rendra (Surakarta, Solo 1935) oogt als een Javaanse vorst met profetische uitstraling. Ter gelegenheid van het Festival Indië/ Indonesië bezoekt hij Den Haag om zijn mythische gedichten voor te lezen en in een workshop te vertalen. Op zijn beurt vertaalt hij werk van Remco Campert, Anna Enquist en Simon Vinkenoog. Rendra was eerder in Nederland te gast; zijn optreden, vaak gaat hij gekleed in het wit, heeft een sterk theatrale inslag. In zijn poëzie sluit hij dicht aan bij de Indonesische orale verteltraditie. Zijn gedichten zijn geschreven in het Bahasa Indonesia, de officiële taal; daarnaast spreekt hij vloeiend Engels, en uit zijn Nederlandse schooljaren herinnert hij zich nog enkele woorden Nederlands.

Ik vraag hem hoe het is dichter te zijn in Indonesië, een land waar autoriteiten boeken, als die van Pramoedya Ananta Toer, op de verboden lijst kunnen zetten. Rendra: “Als dichter debuteerde ik toen ik vijftien was, ik kreeg eigenlijk meteen nationale erkenning. Dat maakte mij voor de communistische partij feitelijk ongrijpbaar. Zij vinden mijn werk bourgeois, decadent en al te individualistisch. Dat ik weiger te geloven in de revolutie van de massa is de gezagsdragers een doorn in het oog. Ik geloof in de democratie als sleutel tot het menselijk geluk. Volgens de communisten is dat de verkeerde weg. Maar zij denken alleen in terminologie van vrienden en vijanden. Daartegen verzet ik me. Met mijn poëzie wil ik iedereen bereiken. Poëzie kent geen vriend of vijand. Het Indonesische nationalisme is feitelijk heel on-Indonesisch, dat is een spijtige zaak. Het is een ideologie die uit het westen komt. Ons land had in de vijfde eeuw al een lingua franca, een algemene omgangstaal. De eenheid van Indonesië is er altijd op vanzelfsprekende wijze geweest, totdat die na de koloniale overheersing werd geforceerd en door de communistische partij tot ideologie van de massa werd verheven. Dat is een ontwikkeling die ik betreur. Toch is Indonesië niet een moeilijker land om in te wonen dan enig Europees land, nee, dat geloof ik niet. Wij hebben natuurlijk onze problemen, zoals overal. Maar daar staat een ongekend rijke culturele traditie tegenover. Wij, als dichters en kunstenaars, maar ook de gewone mensen, zoeken bij die traditie ons geluk en vertrouwen.”

Rendra benadrukt dat hij een bevoorrechte positie in het culturele leven van Indonesië inneemt. Hij is de oudste zoon van een familie van Javaanse adel. Zijn onderwijs genoot hij van Nederlandse missionarissen, waaraan hij met bewondering terugdenkt. “De blanke katholieke missionarissen,” zegt hij, “waren in Indië de vooruitstrevendste onderwijzers die je je maar kunt voorstellen. Zij interesseerden zich voor het volk. Al heel vroeg introduceerden zij de ideeën van Maria Montessori op de lagere school. Daarmee waren ze zelfs Europa ver vooruit. Ik leerde te vertellen, gebeurtenissen onder woorden te brengen, meningen te vormen, en ik kreeg aandacht voor zintuigelijke ervaringen. Als iemand een tand had laten trekken, moest hij dat de volgende dag aan de klas vertellen, met alle details. De Nederlandse onderwijzers bevrijdden mij van de onwetendheid. Ik moest feiten verzamelen, analyseren en verifiëren, een objectieve waarheid kunnen aantonen. Daarnaast ben ik Javaans opgegroeid, met alle eerbied voor de traditionele waarden die daarbij hoort. Mijn grootvader was een man van de geest, van de spirit, en de aandacht daarvoor ontbrak het aan de Nederlanders. In ons huis was een vrouwelijke bediende die me leerde mediteren. Zo leef ik altijd met twee waarheden, twee achtergronden: een subjectieve oosterse en een objectieve westerse. Die oosterse waarheid noem ik wayang, dat is de schaduw die iemands gestalte op een wit doek werpt. Net als in de grot van Plato wijst die schaduw naar het hogere 'ik'.”

Rendra's poëzie is op indringende manier doortrokken van een westers vormbewustzijn en oosterse mythologie. Hij heeft in zijn leven voortdurend zijn horizon verbreed. In de jaren zestig verbleef hij in de Verenigde Staten, waar hij studeerde aan de American Academy of Dramatic Art in New York. In Indonesië richtte hij in 1968 het Bengkel Theater op dat onconventionele voorstellingen bracht. Niet alleen in politiek opzicht is Rendra omstreden, ook als dichter, theaterregisseur en acteur. Er zijn tal van steden waar het Bengkel Theater niet mag optreden, omdat de uitvoeringen te provocerend zijn. Rendra pleit in zijn werk, zowel in zijn poëzie als in het toneel, voor menselijkheid. Zijn eerste bundel uit 1957 heette Ballade Orang-Orang (Ballade der Beminde Mensen). Later publiceerde hij ideologische programma's en politieke schotschriften. In de jaren zeventig was hij de stem van het studentenverzet. Vorig jaar protesteerde hij heftig tegen de opheffing van drie geruchtmakende weekbladen die, volgens president Soeharto, 'de nationale stabiliteit' in gevaar zouden brengen. Rendra las toen in de fractiekamer van de partij de volgende regels: “Dit pamflet heb ik geschreven, omdat het instituut der openbare mening, is ingesnoerd in het vangnet van een spin.”

Meditatie is voor Rendra de methode om tot zichzelf in te keren en zijn lyriek te schrijven. “Ik wil teruggaan naar het moment voordat ik uit het paradijs werd verstoten, naar het leven in de moederschoot voor mijn geboorte. Dat was de tijd van slapen, van gewiegd worden. Ineens is er de geboorte: je wordt uit het paradijs geschopt. Je huilt. Je hele leven kun je nog de pijn voelen van die geboorte, het zijn lifetime marks. Mijn ziel moet, al mediterend, weer een eenheid vormen met de Schepper. In Indonesië noemen we dat: 'De eenheid van de Heer en zijn dienaar.' Met mijn poëzie streef ik ernaar twee werelden met elkaar te verenigen, de innerlijke wereld en de buitenwereld. Dat heet: the sky inside en the sky outside. Als ik schrijf, dan schrijf ik op het ritme van mijn hartslag. Tegelijk luister ik naar de wind die door de bomen suist of de regen die neerdruist; die geluiden vormen dan de melodie van het vers. Zo verweven ritme en melodie zich in de grammatica van de poëzie.”

Al eerder, zowel tijdens het Rotterdamse Poetry International als in Indonesië werkte Rendra samen met dichters als Anna Enquist en Remco Campert. Na een letterlijke vertaling van hun werk in het Engels is het aan Rendra om er Indonesische poëzie van te maken. Bij Anna Enquist is hij geïntrigeerd door haar 'aandacht voor details uit het dagelijkse leven, die gelden als metaforen voor de grote levensvragen'. En Remco Campert? Rendra: “Hij schrijft melancholieke herinneringen die het venster openzetten naar hoe ingewikkeld het leven nu is.”

    • Kester Freriks